Nieuws

 

dinsdag 11 mei 2021

De leeslijst van de leraar (VO)

Redactioneel

Pieter Leenheer

Het themadeel van de eerstvolgende aflevering van DNM – DNM 8.2, verschijnt begin juni – is gewijd aan onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk. De centrale stelling van dat thema: de kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk wordt geleidelijk kleiner. Vooral doordat er nieuwe verbindingen ontstaan. Eén van de initiatieven om de kloof kleiner te maken is het samenstellen van overzichten van belangrijke onderzoekuitkomsten zoals Wijze lessen en Op schouders van reuzen. Pieter Leenheer vroeg zich af of die ook daadwerkelijk worden gelezen. De steekproef waarop zijn beschouwing is gebaseerd, is te klein en te weinig representatief om er harde conclusies aan te verbinden, maar laat wel zien dat het de moeite zou lonen een gedegener verkenning op te zetten.

Een beetje leraar houdt zijn vak bij. De standaardreden daarvoor is dat het wat, waarom en hoe van onderwijs constant aan verandering onderhevig zijn. Maar wat mij betreft is een minstens zo belangrijk reden dat een leraar ook maar een feilbaar mens is. Jelmer Evers gaf in 2016 in een post op Blogcollectief Onderzoek Onderwijs een van de betere typeringen van het leraarswerk: 

"Lesgeven doe je niet volgens een script, je werkt in een omgeving met ontelbaar verschillende bewegende delen. Het vergt duizenden afwegingen per dag die worden ingegeven door de individuele leerlingen die je lesgeeft, de groepsdynamiek van een klas en de doelen die je nastreeft."

Die snelheid haal je echter alleen doordat grote delen van je (ervarings)kennis tacit zijn geworden, want voor rustig even nadenken is nu eenmaal geen tijd, laat staan om even naar een collega te lopen als je vastzit. Alleen is de keerzijde dan wel dat je zoals Daniel Kahneman in Ons feilbaar denken (2011) liet zien, voor de afwegingen ongewild gebruik maakt van standaardinterpretaties en –oplossingen die geen recht doen aan het unieke van een gegeven situatie. Juist een ervaren leraar moet daarom geregeld afstand nemen en bijvoorbeeld kennis nemen van andere perspectieven. Zo gezien is lezen van vakliteratuur om meer dan één reden een must.

Steekproef
Tenminste, zo denk ik erover. Maar geldt dat ook voor de gemiddelde leraar? Neemt hij kennis van bijvoorbeeld onderwijsonderzoek? Kennis daarvan is weliswaar zeker niet de alfa en omega van goed onderwijs, maar vormt wel een belangrijke inspiratiebron en spiegel. Lastig is alleen dat de afgelopen twee decennia de hoeveelheid onderzoek verhoudingsgewijs snel gegroeid is. Daardoor zien leraren, aldus Didactief-hoofdredacteur Monique Marreveld onlangs in Vakkennis: bomen en bos, door de bo­men het bos niet meer. Want hoe weet je als leraar nou wat goed onderzoek is en de moeite van je energie waard? Daarvoor zijn goede vertalingen nodig.

De vraag is alleen: worden die ook gelezen? Voor een indruk daarvan heb ik eind maart een aantal actieve en betrokken leraren en leidinggevenden gevraagd of ze de volgende boeken kennen en zo ja, of ze erover praten met elkaar en of de schoolleiding dat stimuleert: 

  • Op de schouders van reuzen
  • Wijze lessen
  • Werk maken van gelijke kansen
  • Leer ze lezen (2021)
  • Alles op een rij... Praktische handreikingen uit onderzoek voor het basisonderwijs I en II plus de eveneens tweedelige variant voor het voortgezet onderwijs,
  • Wat we kinderen echt kunnen leren
  • Juffen zijn toffer dan meesters (zie voor de complete titelbeschrijvingen het kader aan het slot van deze bijdrage).

Ik heb me daarbij beperkt tot publicaties die uitdrukkelijk beogen uitkomsten van onderwijsonderzoek te vertalen voor de leraren. Boeken als Het Alternatief, Het prachtige risico van onderwijs, De sluipende onderwijscrisis of De bril van de leraar vallen erbuiten: hun auteurs maken wel gebruik van onderzoek, maar hen gaat het in eerste instantie om visies en ideeën over goed onderwijs en goed leraarschap.

De respondentengroep bestond uit personen uit mijn eigen netwerk en dat van een paar mederedacteuren: 8 docenten plus 3 leidinggevenden uit het vo, 2 docenten uit po en 1 uit mbo. Verhoudingsgewijs was po dus nogal ondervertegenwoordigd. Bovendien bleek mbo een geval apart, aldus mijn drie zegslieden uit die sector. Mbo-docenten hebben weinig aan boeken als Wijze lessen. Even kort door de bocht: zij zitten meer met ontwerpvraagstukken omdat door de band met de beroepspraktijk de onderwijsinhouden frequent wisselen, en ze hebben behoefte aan een beroepsgerichte didactiek, en dat dan terwijl de kennisinfrastructuur in het mbo nogal gebrekkig is. We hopen daar in DNM in een later stadium op terug te komen. Al met al heeft de hieronder beschreven indruk dus vooral betrekking op het vo.

Receptie
Als je je beperkt tot oplagecijfers is het beeld bemoedigend. Monique Marreveld meldde in een mail d.d. 8 april jl. dat bijvoorbeeld Op de schouders van reuzen 60.000 x gedownload is, terwijl de uitgave Leer ze lezen, die pas eind januari gelanceerd is, begin april al bijna op 20.000 zat. Maar downloaden is één ding, daadwerkelijk lezen, laat staan er dan ook nog eens over van gedachten wisselen met collega’s, een tweede. Nu begint alles natuurlijk met bekendheid met dat soort boeken. Omdat de productie en verspreiding van Wijze lessen, Op de schouders van reuzen en Leer ze lezen actief ondersteund werden door Po-raad en besturen, zou de bekendheid in het po wel eens een stuk groter kunnen zijn dan in het vo. In elk geval kennen de meeste vo-respondenten hooguit een enkele publicatie en een van hen bekent:

"Ik ken zelf wel een aantal titels van de boeken die je noemt, maar heb eerlijk gezegd geen ervan gelezen... Ik ken ook vrijwel geen collega's die dat doen."

Een enkele docent meldt een wat ander beeld:

"De Bruyckere en Kirschner ken ik. Bv. ‘Op de schouders van reuzen’ staat op mijn kantoortje op school en wordt door collega’s geleend."

Maar het merendeel varieert op wat een van de leidinggevenden schrijft:

"In mijn directe omgeving, mijn team (20% van de school), wordt er nagenoeg niet gebruik gemaakt van boeken om te leren/verdiepen."

Gezien het voorgaande ligt het voor de hand dat er op de meeste scholen niet van gedachten wordt gewisseld over publicaties als Wijze lessen en Op schouders van reuzen. Een enkele keer leest een team dan wel gezamenlijk een boek – een respondent noemt als voorbeeld Toetsrevolutie – maar in de regel is het een individuele zaak. Zoals een van de leidinggevenden schrijft:

"Bij mij op school is het wisselend. De boeken van Kirschner e.a. zijn bekend en worden soms gedeeld, maar dat is meer sporadisch dan systematisch en bovendien docentafhankelijk. (...) Pedro de Bruyckere heeft twee jaar geleden ons schooljaar geopend met een lezing uit zijn boek over onderwijsmythes, daarna heeft het gehele personeel een uitgave gekregen. Ik vind het lastig om in te schatten in hoeverre de collega’s hier gebruik van maken. Er was in het algemeen veel enthousiasme, maar eigenlijk ook een vraag voor een follow-up, welke niet is gekomen."

Een tweetal respondenten vindt die afwezigheid van een gesprek een groot gemis. Zo schrijft een van hen:

"Ik lees dingen over didactiek (Wijze Lessen bijvoorbeeld), over beleid (Het Alternatief) of over pedagogiek (Orde Houden) en telkens ben ik geïntrigeerd over wat er staat om vervolgens te zien dat niemand in de lerarenkamer het kent. Zelfde met discussies over het curriculum, bevoegdheden of register. Het gaat er maar niet over op de scholen waar ik werk. Alsof dat een andere wereld is..."

Nu zou je, omdat leraren volgens de theorie graag informeel van elkaar leren, misschien verwachten dat het gesprek eigenlijk informeel op gang moet komen, zoals in het onderstaande geval:

"Een aantal collega’s weet van elkaar dat ze graag (en sommigen veel) onderwijsonderzoek lezen. Dat delen we/ze met elkaar en daar praten we over, bij de koffie automaat. Voor zover dat tegenwoordig kan en mag. Inmiddels hebben we ook een leesgroep."

Zo’n leesgroep op initiatief van leraren is natuurlijk een mooie start, al kun je in tijden van corona wel lelijk pech hebben:

"Wel hebben we net voor de Corona uitbraak een boekenclubje opgericht. Een docent nam dat initiatief. Is helaas door de Corona niet op gang gekomen. Zaten superleuke boeken over onderwijs in."

Maar hoe dat verder ook zij, nogal eens is zo’n leesclub ook maar een eilandje in de organisatie:

"Ik ben op mijn school nu een leeskring gestart, animo: 6 collega's van de 180, waarvan 2 schoolleiders, 2 docenten die de huisacademie leiden, 2 'gewone' docenten."

De rol van de schoolleiding
Wil je het gesprek verbreden, dat moet je het dus niet louter van het initiatief van docenten hebben, maar moet de schoolleiding op dit punt ook iets ondernemen. En misschien doen ze dat ook allemaal, maar niet in de beleving van de docenten uit deze steekproef: slechts één van hen antwoordde bevestigend op de vraag of de schoolleiding het gebruik van vakliteratuur stimuleert. Een van de respondenten heeft trouwens wel een voorstel daarvoor:

"Op school wordt er niet zozeer over bepaalde werken gestimuleerd of budget voor vrij gemaakt. Zou mooi zijn als er een soort 'bibliotheek' is of fonds is waaruit docenten ook aanschaf van handboeken kunnen verantwoorden. Dat zit nu niet in het persoonlijk ontwikkel budget terwijl dit wel bijdraagt aan ontwikkeling."

Maar al met al gaat het op scholen misschien toch vaak zoals op die van deze respondent:

"Er is wel een boekenkastje in onze personeelskamer met een aantal onderwijsboeken. Maar daar heb ik nog nooit iemand iets uit zien pakken..."

Die veronderstelling kan ik uiteraard onmogelijk baseren op deze steekproef. Ik steun daarvoor eerder op wat de Galan Groep onlangs rapporteerde in Omwille van onderwijs, namelijk dat veel onderwijsinstellingen geen onderzoekscultuur kennen.

Hieronder kom ik daar nog op terug, maar na het voorgaande is het nu eerder tijd voor een voorbeeld van hoe het ook kan. Daarvoor citeer ik vrijwel integraal het antwoord op mijn vragen van Judit Weekenborg, rector van het SGL in Lelystad:

"Op de Schouders van reuzen heeft bij ons aandacht van een kleine betrokken groep, vooral collega's die met een studie bezig zijn. Meer aandacht is er voor:

  • de Toetsrevolutie van Sluijsmans en Kneyber, omdat we sterk inzetten en professionaliseren in formatief handelen;
  • Didactisch coachen van Voerman en Faber, omdat alle collega’s zich hierin scholen;
  • en in de wiskundesectie is vorig jaar met de hele vakgroep een boek over de laatste didactische inzichten voor dit vak gelezen. Elke maand een hoofdstuk. Ook hier gestimuleerd door een studerende collega.
  • Ikzelf koop zeker 2 keer per jaar een ‘ studieboek’ voor het mt over leiderschap, dat we dan bespreken. 
    ​Op de SGL krijgt elke collega een abonnement op Didactief. Weinigen lezen dit spontaan, maar het biedt wel mogelijkheden voor verwijzingen. Ik schrijf er zelf regelmatig over in mijn weekbericht, dus het team weet dat onderzoek een basis is voor het onderwijsinhoudelijke gesprek, besluiten, invulling. Op hun beurt wijzen ze mij trouwens wel eens op de waarde van praktische wijsheid. Ik merk dat een ‘gewone’ docent er niet snel iets mee doet. Maar wel studerende collega's of als er onderzoeksprojecten lopen."

Nabeschouwing
Waarschijnlijk vindt iedereen, dus zowel docenten als schoolleidingen, dat leraren eigenlijk vakliteratuur zouden moeten bijhouden. Maar zeker zo waarschijnlijk is dat tenminste een deel van hen vindt dat dat de verantwoordelijkheid van de leraar zelf is. Een kwestie van beroepsethos dus. Maar dat zou te gemakkelijk geredeneerd zijn. Er bestaat immers nog altijd geen welomschreven beroepsethos waaraan de beroepsgroep, laat staan leidinggevenden, een leraar kan houden. Onder die omstandigheden kan juist een schoolleiding zoals het voorgaande laat zien, veel doen: zelf het goede voorbeeld geven, attenderen op interessante publicaties, initiatieven faciliteren. En vooral, omdat nu eenmaal lang niet iedere leraar een groot lezer is: gedachtewisselingen bevorderen naar aanleiding van publicaties, iets waarbij leesclubs een belangrijke rol kunnen spelen.

Overigens is niet uitgesloten dat het soort publicaties waaraan ik het voorgaande heb opgehangen, onvoldoende aansluit op de behoeften van met name vo-docenten. Kennisontwikkeling voor po en vo, stellen de auteurs van het onlangs verschenen Omwille van goed onderwijs. Verkenning scenario’s kennisinfrastructuur onderwijs, heeft vooral betrekking op generieke pedagogisch-didactische en onderwijskundige kennis. Minder aandacht is er voor contextspecifiekere vakdidactische kennis, terwijl vo-docenten misschien juist daaraan behoefte hebben. Aan de andere kant, die generieke kennis is uiteindelijk wel degelijk relevant voor specifieke contexten. Alleen vergt de vertaling daarvan aan de kant van de scholen dan wel voldoende research literacy, of – ruimer – een onderzoekscultuur. En van dat laatste is, aldus Omwille van goed onderwijs, binnen veel onderwijsinstellingen nauwelijks sprake.

Maar, erkennen de auteurs, daar kunnen scholen ook weer niet zo erg veel aan doen: ‘Er is vaak weinig tijd (lerarentekort, taakomvang, roostering) voor onderzoek en innovatie’. En daar zit zacht gezegd wel wat in. Trouw-columnist Erik Ex schreef onlangs:

"Hoe verkrijgen leraren expertise? Door observatie van collega's, het le­zen van onderwijsboeken en vervol­gens gerichte oefening. Iets waar bij­na geen enkele leraar die ik ken de tijd voor neemt. Of heeft. Dat blijft voor mij een vraag."

Voor Monique Marreveld is dat laatste geen vraag, maar een weet. Het beste medicijn, schrijft ze in Vakkennis: bomen en bos, ‘is bestrijding van het lerarentekort, en minder les- en meer ontwikkeluren voor de leraar’. Zeker in dat laatste kan ik me goed vinden. Maar daarmee begeef ik me op het gladde ijs van de arbeidsvoorwaarden, en dat is weer een heel ander verhaal.

Referenties
Ex, E. (2021). 'Wie is de leider van de grootste oppositiepartij van Nederland?' is geen goede vraag van een docent, In: Trouw 24 maart 2021
Galan Groep (2012). Omwille van goed onderwijs. Verkenning scenario’s kennisinfrastructuur onderwijs. Baarn 2021
Kahneman, D. (2011). Ons feilbare denken. Amsterdam: Business Contact.
Marreveld, M. (2021). Vakkennis: bomen en bos. In: Didactief 1 april 2021

De leeslijst bij dit artikel:

  • Linda van den Bergh, Eddie Denessen, Monique Volman, Bea Ros en Monique Marreveld (2020). Werk maken van gelijke kansen. Praktische inzichten uit onderzoek voor leraren basisonderwijs. Ten Brink Uitgevers
  • Pedro de Bruyckere Paul A. Kirschner, Casper Hulshof (2019). Juffen zijn toffer dan meesters. En nog meer mythes over leren en onderwijs. Lannoo Campus
  • Winifred Jelier (2017, 2018). Alles op een rij... Praktische handreikingen uit onderzoek voor het basisonderwijs I en II. Ten Brink Uitgevers
  • Winnifred Jelier en Hannah Wolff (2018, 2019). Alles op een rij....Praktische handreikingen uit onderzoek voor het voortgezet onderwijs I en II. Ten Brink Uitgevers
  • Paul A. Kirschner, Luce Claessens, Steven Raaijmakers (2018). Op de schouders van reuzen. Inspirerende inzichten uit de cognitieve psychologie voor leerkrachten. Ten Brink Uitgevers
  • Bea Ros, Amos van Gelderen, Kees de Glopper en Roel van Steensel (2021). Leer ze lezen Praktische tips uit onderzoek voor leraren basisonderwijs. Ten Brink Uitgevers
  • Tim Surma, Kristel Vanhoyweghen, Dominique Sluijsmans, Gino Camp, Daniel Muijs, Paul Kirschner (2019). Wijze lessen. 12 bouwstenen voor effectieve didactiek. Ten Brink Uitgevers
  • Daniel Willingham, Pedro De Bruyckere (2016). Wat we kinderen echt kunnen leren. Over feiten en fictie in het onderwijs. Lannoo Campus

 

Pieter Leenheer is redactielid De Nieuwe Meso
pieter.leenheer@planet.nl

 



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
CAPTCHA Image
Nog geen reacties geplaatst
Uw internetbrowser is verouderd.

Voor een goede weergave is een recente versie van uw browser vereist.