Nieuws

 

zondag 31 oktober 2021

De school als bouwplaats

Leestip

Renée van Schoonhoven

“De geschiedenis herhaalt zichzelf niet, maar ze rijmt wel,” zo stelde Mark Twain ooit kort en bondig. Na het lezen van het boekje van Erik Borgman sprong mij dit citaat als eerste te binnen. Want zo langzamerhand kunnen we niet meer ontkennen dat we ruim een eeuw na de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs in een nieuw soort schoolstrijd zijn beland. De vrijheid van en voor onderwijs moet opnieuw bevochten worden. Een vrijheid die past bij de huidige tijd en vooral bij de decennia die nog komen. We kunnen daarbij nu nog rusten op de fundering van vrijheid die in de 19e eeuw is geslagen. Maar nieuwe pijlers zijn wel nodig. Borgman maakt daarmee in De school als bouwplaats een begin.

De vrijheid van onderwijs zoals verwoord in artikel 234 Grondwet staat onder druk. Meer en meer worden in politiek Den Haag vraagtekens geplaatst bij verworvenheden die dateren van een eeuw en nog langer geleden. Moeten scholen niet meer, directer, duidelijker aangestuurd worden door OCW? Met daarmee dus ook meer effect, betere resultaten, meer kansen voor leerlingen, toegankelijker onderwijs? Dat zou dan betekenen dat de vrijheid van scholen, ouders en leerlingen om eigen keuzen te maken wordt beknot.

De laatste jaren zijn voorstanders van de vrijheid ván onderwijs gewend geraakt zich tegen deze tendens te verdedigen. Want beknotten kan niet, mag niet; de wetgever heeft de verhouding tussen staat en (bijzonder) onderwijs nooit zo gewild. In zijn boekje De school als bouwplaats kiest Borgman echter voor een ander spoor. Niet zozeer een behoudend maar progressief spoor, in de zin dat hij beschrijft wat de waarde is van vrij onderwijs en hoe dat bijdraagt aan de samenleving van nu en later.

Een prachtig risico heeft vrijheid nodig
Borgman werkt dit statement uit in vijf hoofdstukken. Na een inleiding beschrijft hij dat onderwijs in de politiek van vandaag drie doelen moet dienen: het moet zorgen voor kansen en sociale stijging, het onderwijs moet passend zijn, en onderwijs moet integreren in plaats van segregeren. Hij betoogt vervolgens dat deze doelen het best bereikt kunnen worden binnen een bestel dat uitgaat van vrijheid. In de daarop volgende hoofdstukken wordt dit uitgewerkt, waarbij hij sterk leunt op de filosofie van Gert Biesta: de leerling is een volwassene in wording, die zijn eigen koers heeft en die zichzelf ontwikkelt. De leerling maakt daarmee de gemeenschap, de samenleving. De school en de leraar heeft daarbij een faciliterende, dienende rol. Waarbij men kan uitgaan van een levensvisie, levensbeschouwing of godsdienst, en altijd in het besef dat onderwijzen een risico inhoudt, want je weet nooit precies of en hoe het werkt. Daarom is vrijheid nodig, daarom is onderwijs ook zo mooi.

Hier en daar laat Borgman zijn christelijke opvattingen doorklinken. Hij geeft bijvoorbeeld aan dat inzet van het christelijk onderwijs is dat aan leerlingen de wereld als Gods schepping, en leerlingen als beeld van God wordt ontsloten. En dat het christelijk onderwijs als dienst aan God, een dienst aan de samenleving is. Voor niet-gelovigen of niet-christenen zullen deze zinsneden waarschijnlijk wat cryptisch zijn, maar deze passages komen niet veelvuldig in het boekje en kunnen wellicht ook worden gemist.

In het boekje is niet alleen Borgman zelf aan het woord. Het bevat bij elk hoofdstuk reflecties van een viertal schoolbestuurders. Keurig verdeeld: twee uit het primair en twee uit het voortgezet onderwijs, twee katholiek en twee protestants-christelijk, twee mannen, twee vrouwen. En het boekje is voorzien van een epiloog van het bestuur van Verus, waarin wordt aangegeven dat vrijheid in het onderwijsbestel een opdracht geeft aan scholen. De focus bij onderwijsvrijheid moet namelijk niet in het verleden liggen, maar in de toekomst. Scholen en leraren kunnen aan iedere leerling meegeven dat we hem of haar nodig hebben en dat de wereld op ze wacht.

Bouwen aan vrijheid
De keuze die Borgman maakt – een pleidooi voor vrijheid voor onderwijs in plaats van een verdedigend statement ten aanzien van de vrijheid van onderwijs – is gedurfd en vrij uniek. Het betoog appelleert bij de lezer aan emotie en is daarmee ook enthousiasmerend. Toch heb ik twee meer inhoudelijke kanttekeningen bij het verhaal.

De eerste is pedagogisch van aard. Want leerlingen zijn echt niet allemaal de lieverdjes die Borgman beschrijft. Dat is nu eenmaal eigen aan mensen. De meeste mensen deugen, maar sommigen echt niet. Wat doet een school dan? Begeleiden en faciliteren zodat ‘het eigene’ van die leerlingen tot ontplooiing kan komen? Ik dacht het niet, want in dat geval faciliteert de school immers de crimineel in wording. En let op, die crimineel in wording zit overal, dus ook op het gymnasium alwaar hij of zij kennis neemt van filosofieën die ook Biesta als uitgangspunt neemt in zijn – prachtige! – visie op onderwijs. Anders gezegd: het boekje gaat voorbij aan deze meer scherpe kant van onderwijs. Een kant waarin juist ook een visie op opvoeden voor samenleven, gebaseerd op levensbeschouwing of godsdienst, van belang kan zijn.

En dat is direct ook de tweede kanttekening. Ik vind het echt een mooi verhaal, maar de koppeling tussen de filosofie van Biesta en die van de visie, levensbeschouwing of godsdienst van de school – in dit geval de christelijke – is in het boekje nog niet of nauwelijks uitgewerkt. Daar was wellicht ook geen tijd of ruimte voor. Toch zou een verdere doordenking daarvan wel wenselijk zijn. Want nu bekruipt mij als lezer regelmatig het gevoel dat de kern van het verhaal van Borgman ook heel goed past bij een openbare Montessori school, of bij een algemeen bijzondere school die uitgaat van het humanisme of van de antroposofie. Het is niet direct uniek voor een christelijke school.

Een verdere uitwerking van deze schakel zou in onderwijsrechtelijk opzicht wel zeer welkom zijn. Daarmee kunnen we namelijk de ‘black box’ die een abstract rechtsbegrip als ‘de vrijheid van richting’ vandaag de dag is, verduidelijken. Het is immers vooral deze vrijheid die vandaag de dag in politiek Den Haag opnieuw bevochten moet worden. Het is prima dat het boekje van Borgman ons ook dat laat weer zien. We moeten verder bouwen aan vrijheid in het onderwijsbestel. 

Borgman, E. (2021). De school als bouwplaats. Onderwijs met het oog op een samenleving van vrije mensen. Baarn: Adveniat.

 

Renée van Schoonhoven
Hoogleraar onderwijsrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam
rvanschoonhoven@actisadvies.nl
 



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
CAPTCHA Image

Jan Schouten - 09 november 2021

Van Schoonhoven legt er de vinger bij dat onderwijs ook sturing moet durven geven aan jonge mensen. Het prachtige risico van Biesta is inderdaad een knappe en mooie visie maar kun je daar mee sturen?

Uw internetbrowser is verouderd.

Voor een goede weergave is een recente versie van uw browser vereist.