Nieuws

Nieuwsbrieven202120202019 20182017
 Februari FebruariFebruariFebruariFebruari
  MeiMeiMeiMei
  SeptemberAugustusSeptemberAugustus
  NovemberNovemberNovemberNovember


donderdag 05 november 2020

De zin van onze materiƫle onderwijsgeschiedenis

Beschouwing

Het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht is de schatbewaarder van de Nederlandse onderwijsgeschiedenis. In de depots liggen ruim 400.000 objecten die de ontwikkeling van het onderwijs – primair, voortgezet en beroepsonderwijs – in beeld brengen. Maar waarom zouden we de materiële onderwijsgeschiedenis eigenlijk bewaren? Voordat we aan het antwoord op die vraag toekomen, is het goed eerst een beeld te geven van wat die materiële geschiedenis zoal inhoudt.

De materiële onderwijscultuur is het verzamelgebied van het Onderwijsmuseum. De objecten ogen vaak in eerste instantie vertederend of nostalgisch. Maar belangrijker is dat schoolboeken en andere leermiddelen vanaf de zeventiende eeuw tot heden  een beeld geven van de ontwikkeling van de  Nederlandse cultuur. Wat vonden leermiddelenmakers belangrijk om over te dragen? Welke accenten werden er, al dan niet onderhuids, gelegd? Hoe deed men dat?

Gelijke kansen
Onderwijs gaat in de kern over toekomst. De huidige leerlingen in de klas en het praktijklokaal zijn de volwassenen van morgen. Meisjes en jongens worden voorbereid op een baan en daarnaast ook op een menswaardig bestaan in de samenleving. Ze moeten weten wat de waarde van geld is als ze een aankoop doen (rekenen); bij het kopen of huren van een huis zijn de ‘kleine lettertjes’ in het contract belangrijk (lezen); en als ze het ergens niet mee eens zijn, dan moeten ze hun bezwaren op papier kunnen formuleren (schrijven). Hoe modern is die toekomstgerichtheid van het onderwijs?

Al in 1784 stelde de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen – een vereniging die verheffing en ontwikkeling van samenleving en individu voorstond – dat rekenen, lezen en schrijven de basisvakken zijn waarmee je het hoofd boven water kunt houden in een samenleving die steeds ingewikkelder wordt. Ook voor veel achttiende-eeuwers was hun samenleving een complexe aangelegenheid. Het Nut ijverde voor wat we tegenwoordig ‘gelijke kansen in een veranderende wereld’ noemen.

Onderwijswetten
De blauwdruk voor de eerste onderwijswetten aan het begin van de negentiende eeuw kwamen ook uit de koker van het Nut. Wat hielden die wetten in?

De man – en wat later ook de vrouw – voor de klas diende een gedegen opleiding te krijgen. Het onderwijs moest plaatsvinden in een gebouw dat daarvoor deugdelijk was ingericht: ergonomisch verantwoorde schoolbanken en voldoende licht (dat van links kwam, anders schreven de rechtshandigen in hun eigen schaduw). En er moesten fatsoenlijke leermiddelen en schoolboeken beschikbaar worden gesteld.

Burgerschapsvorming en aanschouwelijkheid
Burgerschapsvorming lijkt modern, maar al in het Vaderlandsch A-B boek voor de Nederlandsche jeugd (1781) van filosoof en rechtsgeleerde Johan Hendrik Swildens (1745-1809) wordt het thema ‘geboorteland’ aan kinderen uitgelegd. Het primaire doel van Swildens’ lesboek was kinderen taal en spelling aan te leren. Daarnaast had hij ook zaken als het bijbrengen van burgerschap en deugden als vaderlandsliefde, oprechtheid en eerbied voor de natuur op het oog. In het Vaderlandsch A-B boek staat een afbeelding van een man, een vader, met een kind op zijn arm. Hij wijst naar een wandkaart van Nederland. Waar woon ik? Welke taal spreek ik? Wat is de geschiedenis van mijn geboorteland?

Nostalgische en schurende schoolplaten
‘Aanschouwelijkheid’ speelt sinds mensenheugenis een belangrijke rol in het onderwijs. In de collectie van het Onderwijsmuseum is dit duidelijke terug te zien. In de tentoonstellingszaal waar de vaste collectie wordt getoond, komen schoolplaten uit het plafond. Geschiedenis, aardrijkskunde, biologie, rekenen, schrijven, taal – alle schoolvakken in het primair en het voortgezet onderwijs maakten gebruik van schoolplaten. Hoe ging dat in zijn werk?

 

Bij het betreden van de vaste tentoonstelling in het Onderwijsmuseum vallen de iconische schoolplaten direct op: ze hangen in rijen aan het plafond.

De meester of juf hing een schoolplaat voor het bord en vertelde daar een verhaal bij. Dit verhaal was afkomstig uit een handleiding waarin leerdoelen werden gesteld: Wat dient er met deze plaat overgedragen te worden? Vanaf het eind van de negentiende eeuw werden door de komst van nieuwe, moderne druktechnieken de schoolplaten steeds mooier.

Op het eerste gezicht hebben veel schoolplaten een hoog nostalgisch gehalte. Bij het zien van sommige afbeeldingen, die vaak decennialang aan de schoolmuur hingen, zoals Ter Walvischvaart (1910) van Cornelis Jetses, wanen bezoekers zich terug in het klaslokaal van hun kindertijd. Wat dit betreft zijn enkele iconische schoolplaten tijdmachines: naast Jetses’ plaat over de walvisvaart zijn dit het Behouden Huys op Nova Zembla (1951) van J.H. Isings en In sloot en plas (1931) van M.A. Koekkoek. Achter die ‘herinneringsnostalgie’ zat wel een duidelijk onderwijsleerplan met leerdoelen verscholen.

Hoe pijnlijk actueel sommige nostalgisch ogende schoolplaten kunnen zijn, wordt duidelijk als we de deelcollectie ‘Nederlandsch-Indië’ nader bekijken. Tijdens de biologie- of aardrijkskundeles werd de voormalige kolonie in beeld gebracht met een romantisch ogende dessa (plattelandsdorp), een rijstveld, een tabaksplantage of een wajangvoorstelling. Het visualiseren van de koloniën had als doel de economische, de politieke en de kerkelijke expansiedrift van de overzeese gebiedsdelen onder schoolkinderen, de toekomstige volwassenen, op een aantrekkelijke manier bekend te maken. Vooral de economische baten van het Nederlandse imperialisme werden esthetisch in beeld gebracht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabaksbouw in Deli, Sumatra

Illustrator Johan Gabriëlse (1881-1945)
Uitgever J.B. Wolters Groningen/Den Haag, 1927
Inventarisnummer H018.062 (104x74 cm)
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht



Het onderwijs moest er voor zorgen dat jonge Nederlandse mannen en vrouwen enthousiast zouden worden gemaakt voor het binnenlandse bestuur, het onderwijs aan de Indonesische bevolking en zeker niet in de laatste plaats de Nederlandse handelsbelangen. De overheid en het bedrijfsleven beschouwden deze schoolplaten als een vorm van vroegtijdige rekrutering.

De verhalen tijdens de biologie-, geschiedenis- en aardrijkskundeles waren eenzijdig en vooral ingegeven door expansiedrift en economische motieven. Naast enkele feiten werden vooral oordelen, vooroordelen, nietszeggende algemeenheden en sjablonen over de Indonesische bevolking overgedragen. De schaduwkanten van deze onbeschaamde expansiedrift, zoals economische uitbuiting, onderdrukking en wreedheden jegens de bevolking, werden in de klas verzwegen.

Daarom bewaren!
In zijn studie The use and abuse of history (1984) toont de Franse historicus Marc Ferron aan dat het huidige beeld dat wij van andere mensen en van onszelf hebben, vooral gebaseerd is op de geschiedenis- en aardrijkskundelessen. Deze lessen, die we in de schoolbanken te horen kregen, kenmerken ons voor het leven. Een groot deel van onze hedendaagse meningen en emoties stammen uit onze kinder- en schooltijd en lijken voor velen onuitwisbaar.

Het onderwijs en zijn geschiedenis maakt onderdeel uit van de brede Nederlandse cultuur. Onderwijs en opvoeding zijn een weerspiegeling van die cultuur. Naast kennis en vaardigheden werden – en worden nog altijd – ideeën, opvattingen en overtuigingen via het onderwijs overgedragen. De collectie van het Onderwijsmuseum laat zien welke dat zijn. Soms heel duidelijk, maar nog vaker verborgen achter een nostalgisch ogend beeld. Daarom bewaren en onderzoeken.

 

Jacques Dane is conservator van het Onderwijsmuseum
j.dane@onderwijsmuseum.nl



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
CAPTCHA Image
Nog geen reacties geplaatst

Uw internetbrowser is verouderd.

Voor een goede weergave is een recente versie van uw browser vereist.