Nieuws

 

dinsdag 28 juni 2022

Het dubbele gezicht van meritocratie

Leestip

Jeroen Onstenk, redacteur DNM

Kansen(on)gelijkheid in en door het onderwijs krijgt recent veel aandacht. In dat verband komt ook het dubbele gezicht van meritocratie ter discussie. Zijn de met de mond beleden meritocratische principes eigenlijk wel gerealiseerd? En is het überhaupt een nastrevenswaardig model? Leiden de onbedoelde effecten niet onvermijdelijk tot maatschappelijke frictie? Twee recente vertalingen van cruciale publicaties geven hier veel stof tot nadenken. 

De opkomst van de meritocratie
Het begrip meritocratie is afkomstig van de socioloog Michael Young in zijn opnieuw vertaalde satire The rise of the meritocracy (1870-2033). Het boek uit 1958 is een sociologisch doordenken van de nabije en wat verdere toekomst, en betreft een, deels verzonnen, geschiedenis van Engeland als meritocratische samenleving, gezien vanuit 2033. Het dubbele gezicht van meritocratie vormt al meteen de kern in dit verhaal over de opkomst (en crisis) van een samenleving waarin intelligentie en verdiensten van mensen de inrichting van het onderwijs én van de samenleving uitmaken. Het meritocratisch beginsel brengt, net als het erfelijkheidsprincipe waar het voor in de plaats kwam, winnaars én verliezers voort.  

In ‘Deel 1: de opkomst van de elite’ ligt de nadruk op onderwijs als sorteermachine. Verdienste (opgevat als product van intelligentie en inzet) wordt de nieuwe maatstaf voor de maatschappelijke positie. De middenschool (comprehensive school) komt voorbij, als een betreurenswaardige fase waarin de psychologie nog niet ver genoeg was uitgewerkt om op wetenschappelijk juiste wijze intelligentie te herkennen en ontwikkelen. Daarna wordt steeds vroeger geselecteerd en voor de getalenteerden wordt er veel geld in het onderwijs gestoken, leerkrachten worden goed betaald en alle slimme leerlingen krijgen een financiële toelage. De mensen met een hoog IQ hebben de macht en willen die macht graag houden. De intelligente klasse trouwt, uiteraard, eerst en vooral met leden uit die klasse. Wanneer er uit deze meritocratische huwelijken onverhoopt toch domme kinderen worden geboren, ontstaat er een bijleseconomie. Met alle macht wordt geprobeerd om de prestaties omhoog te krikken. Er ontstaat zelfs een zwarte markt waar domme baby’s ingeruild kunnen worden voor begaafde kinderen.

In ‘Deel 2: Het verval van de lagere klassen’ wordt de andere kant van de medaille geschetst. De rol van de sociaaldemocratie in de verbreiding van het meritocratisch ideaal wordt inzichtelijk geschetst. De erop volgende teloorgang is logisch, want ze is immers niet meer nodig nu iedereen de kansen krijgt om zijn - voor vrouwen lijkt het ook in de gerealiseerde meritocratie net wat anders te liggen - potentieel waar te maken. De rest (de meerderheid) wordt op deze basis als dom geclassificeerd en moet zich tevredenstellen met de uitvoerende banen, die - heel herkenbaar - wel fancy namen krijgen. Iedere arbeider wordt technicus, maar wel met een voortdurend risico dat zijn werk wordt geautomatiseerd. Dan biedt alleen dienst- en zorgverlening voor de hogere klasse nog wat soelaas. Zoals vroeger het idee van ongelijke kansen de mythe van de menselijke gelijkheid voedde, wordt met het realiseren van gelijke kansen duidelijk dat mensen nu eenmaal ongelijk zijn. Omdat de classificatie wetenschappelijk gemaakt is (en er een tijd lang tweede-kansonderwijs bestaat, zolang de kansen nog niet gelijk zijn) accepteren de ‘dommen’ hun gebrek aan macht, althans voor een tijd. En als er al onvrede is in de lage klasse, missen ze het inzicht en vernuft om in actie te komen. Er zijn geen intelligente leiders meer als deel van de lage klasse. Maar zelfs in deze ‘succesvolle’ meritocratie leidt de classificatie tot gevoelens van vernedering en gebrek aan kansen. In de jaren 2030 (aan het eind van het boek) leidt dat tot een heuse crisis, aangesticht door vrouwen, boeren en Populisten. Gestudeerde vrouwen verbinden zich met de onvrede van de lage klasse en worden de aanvoerders van de revolte onder de leuze: gelijkheid van mensen ongeacht hun capaciteiten. In de laatste voetnoot wordt meegedeeld dat de auteur in 2034 is omgekomen bij de onlusten.

Tot verbazing en ergernis van Young werd het begrip meritocratie al snel een gevleugeld begrip in de mond van politici, zowel van rechts als links. Omdat het boek daarbij niet of slecht gelezen werd bleef het dubbele gezicht grotendeels buiten beeld. Dat geldt ook voor Nederland. De titel van de al snel verschenen eerste Nederlandse uitgave (1959) zette meteen de lezer op het verkeerde been: De juiste man op de juiste plek. Dit geeft weer dat, net na het Verborgen Talent van Van Heek, het perspectief om met betere onderwijskansen en selectieprocedures iedereen met talent de juiste positie te laten bereiken als aantrekkelijk en op termijn haalbaar werd gezien. Maar dat mist de bedoeling van Young. De slogan was bepaald ironisch bedoeld: als je veel kan eindig je hoog, als je weinig kan eindig je laag. In 1976 werd dezelfde vertaling opnieuw uitgegeven, nu onder de letterlijk vertaalde titel: Opkomst van de meritocratie (1870-2033). Vreemd genoeg is in de zojuist verschenen nieuwe vertaling de aanduiding van het tijdvak geheel verdwenen. Misschien een indicatie dat men de maatschappelijke onrust rond het meritocratisch principe die Young in de jaren 2030 situeert, nu al in alle hevigheid ziet. Dat blijkt tenminste uit de inleiding van Ewald Engelen, die een kritische beschouwing geeft over Nederland als gemankeerde meritocratie en daarbij ook de link legt met Sandel.  

Meritocratie en de crisis van de democratie
Er gaat geen dagelijkse raket naar de maan, en thee, melk en bier (de drie Engelse levenssappen) komen nog niet per pijpleiding bij de mensen thuis. Maar de sociologische toekomst is door Young verontrustend raak geschetst. Dat komt ook naar voren uit De tirannie van verdienste van de Amerikaanse politicoloog Sandel. Het boek is, zoals de ondertitel Over de toekomst van de democratie al aangeeft, geschreven uit zorg over de populistische bedreiging voor de democratie. Sandel legt de nadruk op de normatieve connotaties van verdienste (merit), door het te verbinden met de protestantse ethiek en de Amerikaanse droom. Hij onderkent wel degelijk het aantrekkelijke van een meritocratisch perspectief: niet familie en afkomst bepalen de school- en maatschappelijke loopbaan van een kind, maar aanleg, inzet en cijfers. Zo krijgt iedereen gelijke kansen en gaat er geen talent verloren. Hoe slimmer een leerling is en hoe beter die zijn best doet, hoe langer hij mag doorleren, hoe beter waarschijnlijk de baan en hoe hoger het salaris.

In beide boeken komt naar voren dat het ideaal over een breed politiek spectrum van rechts tot links wordt gedeeld (met uitzondering van de extreme vleugels aan beide zijden). Sandel bespreekt de meritocratische uitgangspunten van zowel Democratische presidenten als Clinton en (vooral) Obama, maar ook Republikeinen als de Bushes, en van zowel Thatcher als Blair in Engeland. Ze leggen nadruk op het vergroten van mogelijkheden om via ijver en onderwijs ‘de kansen te grijpen die je verdient’. Populisten als Trump doen het anders: ze spelen meer in op de sentimenten van de verliezers van meritocratie en globalisering, degenen die als dom worden weggezet, in hun bestaan bedreigd worden en zich vernederd voelen door ‘de elite’. Dit is volgens Sandel geen onterecht gevoel. Mondialisering, neoliberale marktwerking, financialisering en het ontstaan van grote, machtige bedrijven leidde tot sterk toenemende ongelijkheid. In combinatie met een sterke onderwijsgerichtheid leidde dat tot een gestage uitholling van de maatschappelijke status van mensen die niet gestudeerd hebben. Het alsmaar benadrukken van het belang van onderwijs door de ´geprivilegieerde´ klasse laat daarmee aan de minder hoog opgeleiden weten dat ongelijkheid hun eigen schuld is.

Terwijl deze gevoelens reële effecten hebben, is er feitelijk nauwelijks sprake van een daadwerkelijke meritocratie. De nauwkeurige IQ-meting als een door iedereen geaccepteerde maat voor verdienste is er niet gekomen, al klinkt de gedachte sterk door in het gebruik van testen bij toegang voor voortgezet en hoger onderwijs. In de VS bijvoorbeeld de SAT, in Nederland de CITO-toetsen. In de VS kunnen mensen met geld of contacten een score ontlopen door sluipwegen, selectiebeleid van scholen of regelrechte fraude, maar ook beïnvloeden dankzij een hele trainingsindustrie, vergelijk de bijlesindustrie in Nederland. De verdienste wordt meer gezien in het behaald hebben van een diploma (credentialisme), dan in de daarmee aangetoonde kwaliteiten. Misschien het grootste verschil tussen het verhaal van Young en de reëel bestaande meritocratie is de rol van de heersende elite. Bij Young is die hooggeschoold, maar handelt met maatschappelijk gerichte goede bedoelingen en een wetenschappelijk onderbouwde aanpak. In plaats daarvan ziet Sandel concurrentie en zelfverrijking en een veel grotere rol voor economen, effectenhandelaren en speculanten, beroepen die Young had toegedacht aan de dommere leden van de elite. Dit betekent dat de maatschappelijke problemen bepaald niet optimaal worden aangepakt, maar vooral ook dat sterk groeiende inkomens- en machtsverschillen bovenop de vernedering komen. Een explosief mengsel.

Maar volgens Young en Sandel levert zelfs een eerlijke meritocratie geen goede samenleving op. Het hele idee om banen en salarissen toe te wijzen op grond van wat mensen zouden ‘verdienen’ is onjuist, want veel hangt af van toeval en geluk, je talenten, de toevallige waardering van de samenleving voor een specifiek talent op dat moment, familieachtergronden enzovoorts. Ook het morele belang van inspanning en hard werken wordt enorm opgeblazen. Waar bij Young getalenteerde leerlingen worden betaald om hun studie af te maken en geen talent verloren te laten gaan, ligt in de echte geschiedenis meer nadruk op de (toekomstige) ‘winst’ voor de student, waarin hij moet investeren, leidend tot hoge studieschulden. Het regime van de verdienste breidt de tirannie in twee richtingen uit en leidt tot hoogmoed, stress en angsten onder winnaars en vernedering, afgunst en demoralisatie onder verliezers. Dit als gevolg van het niet-aflatende meritocratische geloof dat we als individu volledig verantwoordelijk zijn voor ons eigen lot: als we succesvol zijn, is dat geheel aan onze eigen inspanningen te danken, en als we falen, kunnen we dat alleen aan onszelf verwijten.

Sandel heeft geen pasklaar recept voor een oplossing. Hij bepleit, net als in zijn andere werk, vooral een maatschappelijk debat over betekenissen en doelen van het leven dat we met elkaar delen.  Voorwaarde daarvoor is het gevoel ergens thuis te horen, het jezelf kunnen zien als lid van een gemeenschap waar je je verantwoordelijk voor voelt en ook iets verschuldigd bent. Maatschappelijk welzijn is afhankelijk van samenhang en solidariteit. Hij is daar niet optimistisch over: de door de markt gedreven mondialisering in combinatie met de meritocratische opvatting van succes heeft de morele banden verzwakt en solidariteit tot een welhaast onmogelijk streven gemaakt. Het gaat er minimaal om juist de verliezers serieus te nemen.   

Tot slot
Beide boeken werpen een kritische blik op de principiële en praktische keerzijden van de meritocratische principes. De relevantie voor Nederland is onmiskenbaar. Ook hier is het meritocratische gedachtengoed gemeengoed geworden, met periodiek oplaaiende kritiek erop. Het belang van een diploma voor de loopbaan wordt gevoeld door elke leerling en ouder van hoog tot laag. We kennen een sterke nadruk op testen en toetsen en op selectie in het onderwijs. Scholing komt steeds weer naar voren als antwoord op de onzekerheden op de arbeidsmarkt. Er is een steeds sterkere machtspositie van hooggeschoolden op de arbeidsmarkt, in de media en in de politiek. Op basis van opleiding ontstaan er aparte groepen die nauwelijks nog contact met elkaar hebben. Men kijkt naar het onderwijs om kansen en sociale cohesie (burgerschap) te bevorderen. Maar zolang laaggeschoolden worden weggedrukt naar de economische en sociaal-culturele randen van de maatschappij kan dat geen oplossing zijn.

 

Michael Young (2022) De opkomst van de meritocratie. Amsterdam: Atheneum Paradigma

Michael Sandel (2020) De Tirannie van Verdienste. Over de toekomst van de democratie. Utrecht:  Ten Have

 

Jeroen Onstenk
Redacteur DNM
Jeroenonstenk@outlook.com



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
CAPTCHA Image
Nog geen reacties geplaatst
Uw internetbrowser is verouderd.

Voor een goede weergave is een recente versie van uw browser vereist.