Nieuws

Nieuwsbrieven20202019 20182017     
 FebruariFebruariFebruariFebruari     
 MeiMeiMeiMei     
 SeptemberAugustusSeptemberAugustus     
 NovemberNovemberNovemberNovember     


donderdag 05 november 2020

Innovatie en onderzoek tijdens de corona-crisis

Beschouwing

Jelle Kaldewaij en Pieter Leenheer

Tijden van corona. Gouden tijden voor onderwijsvernieuwers, zou je op het eerste gezicht kunnen denken. Opeens moest het onderwijs overschakelen op een heel ander soort onderwijs: op afstand en digitaal. En tot verbazing van velen lukte die ommezwaai ook heel behoorlijk; scholen, docententeams en individuele leraren wisten op behendige wijze het onderwijs te continueren. Niettemin kunnen er bij deze wijze van onderwijsvernieuwing de nodige kanttekeningen worden geplaatst.

Na de eerste euforie kwamen er de nodige vragen: zijn de onbedoelde effecten niet te stevig, zoals dreigende toename van kansenongelijkheid? En kan het eigenlijk wel: onderwijs zonder direct contact tussen leerlingen en docenten? Dergelijke vragen komen aan de orde in het komende nummer van DNM. Hier willen we aandacht schenken aan een ander aspect van deze onverhoedse vernieuwing: de invloed op reeds lopende vernieuwingen of plannen daartoe. In hoeverre zijn allerlei (aanzetten tot) vernieuwingen ondergesneeuwd geraakt doordat alle aandacht uitging naar een min of meer coronaproof onderwijs? Betekent deze tijd van corona een versnelling van de digitalisering, maar voor het overige juist een rem op ‘concurrerende’ vernieuwingen?

De kans op dat laatste lijkt het grootst als de innovatie gebaseerd wordt op of gepaard gaat met onderzoek. Zorgvuldige innovatie met onderzoek als basis behoeft enige tijd: je wilt in het onderzoek bepaalde varianten van onderwijs uittesten en pas starten met invoering ervan als de werkzaamheid bewezen is. Tegelijkertijd weten we dat de neiging om te innoveren pas ontstaat bij een zekere urgentie: er moet altijd een aanleiding zijn om te veranderen; anders laten we alles het liefst maar bij hetzelfde. Dat maakt de verhouding onderzoek - praktijk paradoxaal. Òf er is een urgente aanleiding, maar dan duurt het onderzoek wat lang. Òf er is geen urgentie, maar dan is er ook geen behoefte om iets te doen met resultaten van onderzoek.

Bronnen
Is er in 2020 inderdaad sprake van uitstel van vernieuwingen? Om daar wat inzicht in te krijgen konden we beschikken over drie bronnen: dagboeken van schoolleiders over 2020 (waarover meer in het komende DNM-nummer), een enquête onder LOF-stipendiaten en een enquête onder basisschooldirecteuren die een innovatiebeurs van het NRO hadden gekregen. Daarnaast – maar dat laten we hier verder buiten beschouwing- levert de coronaperiode ook een heel scala aan onderzoeken op, zo laat een enquête van het NRO zien: van de invloed op onderwijskwaliteit tot effecten voor burgerschapsonderwijs. 

De dagboeken van schoolleiders tijdens de corona-periode gaan maar beperkt over innovatie en/of onderzoek. De keren dat dat wel gebeurt, geven echter wel een mooi inzicht in wat er aan de hand is. Als het inzicht er is dat we deze tijd eigenlijk zouden moeten gebruiken voor een grondige reflectie op onderwijs, constateert een van de schoolleiders dat dat niet gebeurt. Juist door de corona-maatregelen is het heel moeilijk een innovatieve omgeving te creëren (met het nodige overleg in de vorm van bijvoorbeeld een denktank). Door deze crisis zie je echter, zoals blijkt uit wat een andere schoolleider schrijft, wel het besef ontstaan, dat het zinvol zou zijn om ons wat dieper te bezinnen op wat onderwijs wel en niet zou moeten zijn ("niet meer 50 minuten 1 klas 1 docent").

Het Leraren Ontwikkel Fonds (LOF) “biedt leraren uit het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en mbo budget en begeleiding om hun eigen project voor beter onderwijs in hun school uit te voeren”. Om de effecten van de corona-crisis na te gaan hielden Geke Versprille en collega’s van het CAOP een enquête onder de leraren die nu een LOF-project uitvoeren. Van de 36 respondenten gaven er 29 aan dat er inderdaad sprake was van vertraging of uitstel. Daarbij worden als oorzaken genoemd: minder contact met collega’s, aandacht voor het overeind houden van onderwijs, uitval van lessen en keuze voor andere prioriteiten. Ook het onderwerp speelt soms een rol: een project over coöperatief werken in de klas is lastig met de eis van anderhalve meter te verenigen. Een vijftal respondenten constateert overigens geen invloed op het project. Twee respondenten geven aan dat er versnelling optrad, en wel, omdat de onderwerpen (o.a. blended learning) goed aansloten bij de vragen die de coronacrisis opriep.

Het SIOF is een innovatieontwikkelfonds voor schoolleiders. Het NRO opende eind 2019 de mogelijkheid om in dit kader schoolleiders PO persoonsgebonden beurzen aan te laten vragen voor initiatieven die gericht op het anders organiseren van onderwijs vanwege het lerarentekort. Ook hier werd een enquête georganiseerd over de effecten van corona. Van de 18 respondenten verwacht ongeveer een-derde meer dan 3 maanden vertraging, maar niet meer dan een half jaar; twee-derde verwacht geen tot 3 maanden vertraging en 1 van de 18 verwacht eerder een versnelling dan een vertraging, ook hier weer wegens een goede aansluiting bij de problematiek die corona opriep. We zien hier vergelijkbare toelichtingen als bij de LOF-gebruikers. Citaten die dit illustreren zijn de volgende.

  • De prioriteit ligt bij het opvangen van leerlingen.
  • Er is binnen het team momenteel weinig ruimte voor denkkracht met betrekking tot onze vernieuwingen, alle aandacht gaat naar het bieden van thuisonderwijs en het nadenken over scenario’s als we weer open kunnen.
  • Wij zijn als werkgroep bezig om meer draagkracht voor het project te ontwikkelen binnen ons (grote) onderwijsteam. Hiervoor dienen we echter bij elkaar te komen en te overleggen. Dit is op dit moment onmogelijk. Hierdoor lopen we tegen problemen aan die wij op dit moment niet direct op kunnen lossen.

Op grond van het voorgaande kun je concluderen dat in coronatijd de mate waarin een vernieuwing als urgent wordt gevoeld, nog belangrijker wordt. Onderzoek dat niet harmonieert met de urgente behoeftes, wordt on hold gezet, maar innovaties die sporen met die behoeftes (meer onderwijs op afstand, meer gebruik van ict) krijgen juist een versnelling.  

Randvoorwaarden
Daarnaast zien we dat bepaalde randvoorwaarden voor zinvolle vernieuwingen in toenemende mate vervuld lijken te zijn. Heel concreet geldt dit voor het afstandsonderwijs. Eén schoolleider merkt daarover op: “Leerkrachten worden niet belast met ons plan, maar leren indirect en met enorme snelheid omgaan met de voor- en nadelen van digitalisering in het lesaanbod. Dat kunnen we op een later tijdstip benutten bij de verandering van organisatievormen.” De huidige ervaringen kunnen dus ingezet worden bij komende vernieuwingen.

Een andere schoolleider merkt op: “Er is veel meer samenwerking tussen docenten ontstaan en de nieuwe situatie levert op, dat bezinning op centrale elementen van het onderwijs weer plaats gaat vinden door vragen als: wat moet er in ieder geval worden aangeboden (wat zijn de essentiële onderdelen van ons curriculum)?”

Conclusies
We zien dat de coronacrisis leidt tot drie soorten acties bij geplande onderwijsvernieuwingen:

  1. Vernieuwingen “on hold” zetten met het oog op de urgentie van de dagelijkse praktijk (met de inschatting dat binnen afzienbare termijn de vernieuwing weer opgepakt gaat worden). Dit is de meest voorkomende reactie.
  2. Versnellen van vernieuwingen die het onderwijs juist nu verder helpen, ict-gerelateerd; onderwijs op afstand. Dit komt in een beperkt aantal gevallen voor.
  3. Een basis leggen voor toekomstige veranderingen: snel inspelen op sterk gewijzigde omstandigheden lukt kennelijk wel in het onderwijs. Deze kans wordt gesignaleerd, maar krijgt nog niet concreet vorm.

De corona-crisis geeft duidelijk aanleiding tot het stellen van fundamentele vragen over de inrichting van het onderwijs. Die kunnen evenwel tijdens de crisis moeilijk beantwoord worden: de crisissituatie vormt geen goede omgeving voor reflectie met elkaar; er is hiervoor te weinig tijd en energie door allerlei ad-hoc-acties.

Over het algemeen was de verwachting dat de beoogde vernieuwingen binnenkort weer zouden worden opgepakt. De gegevens zijn evenwel afkomstig uit de periode van de eerste golf corona-besmettingen of daar net na. Inmiddels is duidelijk dat ons nog wat meer golven te wachten staan. Vooralsnog gaan we uit van een optimistisch scenario: zodra het kan, pakt men opgelucht de draad weer op.

Pre-corona werd door een reeks van partijen bepleit het onderwijs fundamenteel anders aan te pakken (zie toekomstvanonsonderwijs.nl). Theoretisch zou je gebruik kunnen maken van de crisis om daar een begin mee te maken. In de praktijk is dat echter geen erg haalbare kaart.

Wel zou men – en dat zie je helaas maar weinig – er goed aan doen nu vast na te denken over nieuwe vormen van onderwijs. Niet alleen in het licht van al eerder gesignaleerde problemen als toenemende ongelijkheid, achteruitgaande leescompetenties en de onmogelijkheden om een leven lang te leren, maar ook als een robuuste voorbereiding op nieuwe crises.

Jelle Kaldewaij
Oud-directeur NRO, adviseur
kaldeway@ziggo.nl

Pieter Leenheer
Redactielid DNM
pieter.leenheer@planet.nl



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
CAPTCHA Image
Nog geen reacties geplaatst

Uw internetbrowser is verouderd.

Voor een goede weergave is een recente versie van uw browser vereist.