Nieuws

Nieuwsbrieven20202019 20182017     
 FebruariFebruariFebruariFebruari     
 MeiMeiMeiMei     
 SeptemberAugustusSeptemberAugustus     
  NovemberNovemberNovember     


vrijdag 28 augustus 2020

Inperking vrijheid van onderwijs

Leestip

Renée van Schoonhoven

Na het bereiken van een zekere leeftijd weet je hoe je een doorsnee Ikea-meubel in elkaar zet: eerst de doos uitpakken, dan alle elementen sorteren en controleren, en daarna stapsgewijs volgens de plaatjes aan de slag. Geen andere volgorde aanhouden en de rust nemen om dit te doen. Dan komt het goed en heb je uiteindelijk een prima meubel.

In discussies over de vrijheid van onderwijs en artikel 23 van de Grondwet houden we ons meestal niet aan die werkwijze. Als het om deze materie gaat zijn velen overtuigd van hun eigen zienswijze, die  veelal luid, duidelijk en direct naar voren wordt gebracht. Zonder eerst rustig na te gaan wat het probleem is, wat mogelijke oplossingen zijn, waar je uiteindelijk naar toe wilt en hoe je daar op verstandige wijze gaat komen. Mede daardoor leiden die discussies vaak tot niets. Hooguit tot een uitkomst die op zijn best toont als een wankel meubeltje omdat je nog vier schroefjes en een plankje over hebt.

Dit beeld hield ik onlangs over aan het lezen van de op zichzelf lezenswaardige uitgave Inperking vrijheid van onderwijs. De auteur, Carel Verhoef, is historicus van oorsprong en heeft met veel oog voor detail dit boek over de vrijheid van onderwijs anno 2015 geschreven. Het boek is dus zeker niet gehaast tot stand gekomen. Door het vele historische materiaal dat aan de orde komt, kun je niet zeggen dat Verhoef over één nacht ijs is gegaan. Maar toch heeft hij in de analyse een paar schakels overgeslagen, waardoor ik het betoog uiteindelijk niet erg sterk vind.

Drie vragen met antwoorden
Het verhaal start met drie retorische vragen. (1) Moet de vrijheid van onderwijs niet ter discussie worden gesteld nu het christelijk karakter van veel bijzondere scholen is vervaagd? (2) Staat de vrijheid van onderwijs niet onnodig in de weg aan meer overheidsbemoeienis en dus deugdelijker onderwijs? en (3) Is het in de huidige samenleving nog wel aanvaardbaar dat door de vrijheid van onderwijs de onderwijssegregatie tussen kansrijke en kansarme kinderen wordt versterkt? Na een korte beschrijving van artikel 23 van de Grondwet gaat Verhoef in op enkele hoofdlijnen van onze onderwijsgeschiedenis. Daarna zet hij het spel op de wagen door in te gaan op het bestaansrecht van bijzonder onderwijs op godsdienstige grondslag, en door aan te geven dat onderwijssegregatie in ons huidige bestel serieuze proporties heeft aangenomen. Ten slotte geeft hij veertien redenen om de vrijheid van onderwijs in te perken en geeft hij aan wat het alternatief is: de gemengde school. Dat is een school waar alle kinderen naar toe gaan, ongeacht hun achtergrond. In vakken levensbeschouwing en burgerschapsvorming doen zij kennis op van álle godsdiensten,  krijgen zij les in de waarden en normen van onze westerse beschaving en in de grondslagen van de parlementaire democratie.

Vrijheid en overheidsbekostiging
Uit het boek spreekt een grote bevlogenheid met de kwaliteit van onderwijs en het beginsel van gelijke kansen. Gecombineerd met de vele details en de zorgvuldige schrijfstijl nodigt het daarmee zeker uit tot (door-)lezen. Alleen slaat de auteur zoals gezegd een paar schakels in de redenering over. Om te beginnen het onderscheid tussen de vrijheid van onderwijs die sinds 1848 voor iedereen in onze samenleving geldt en het beginsel van gelijke bekostiging voor openbare en bijzondere scholen dat in 1917 in de Grondwet is terecht gekomen. Dat lijkt hetzelfde, maar dat is het zeker niet. De vrijheid van onderwijs geldt namelijk niet alleen voor scholen maar ook voor de autorijschoolhouder, voor de balletles, voor de nascholing in fotografie, voor de cursus ‘stekken’ op de volkstuin, voor de zondagschool van de kerk, enzovoorts. Het is een brede vrijheid, die zich uitstrekt tot ín het reguliere onderwijsbestel. Dat l houdt in dat een ieder die dat wenst en nodig vindt in Nederland een school kan starten. Ook een school voor basis- en/of voortgezet onderwijs. In dat laatste geval kun je ervoor kiezen wel of geen overheidsbekostiging aan te vragen. Wil je die bekostiging wél – hetgeen niet altijd het geval is – dan moet de school in geval van bijzonder onderwijs nu uitgaan van een erkende richting.

Over dat laatste zegt Verhoef dat de lijst met erkende richtingen van godsdienstige en levensbeschouwelijke aard inmiddels wat arbitrair is geworden. Zo geldt de antroposofie als een erkende richting, maar een overtuigd boeddhist ziet zijn levenswijze niet terug op die lijst. Evenzogoed staat de evangelische tak van het protestantisme er wel op, maar het door de Heilige stoel erkende Legioen van Maria staat er niet op, enzovoorts. Tegen het argument van Verhoef dat de lijst een arbitrair karakter draagt is dus niet zoveel  in te brengen. Sterker nog, er komt in 2021 ook een einde aan het exclusieve criterium van ‘erkende richting’ met de invoering van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen. Dat betekent echter niet dat daarmee ook artikel 23 Grondwet is gewijzigd of dat daarmee een einde komt aan ‘de vrijheid van onderwijs’. Ook daarna zijn er immers nog steeds bekostigde en niet-bekostigde scholen en is er nog steeds zónder overheidsbemoeienis de balletles en de cursus van de volkstuin. Niet alle schroefjes uit de doos van het Ikea-meubel zijn hetzelfde.

In zijn betoog vereenzelvigt Verhoef ‘gelijke bekostiging’ voor openbaar en bijzonder met ‘de vrijheid van onderwijs’. Hij schiet met dit vertoog deels echter  in zijn eigen voet. Zo geeft hij terecht aan dat bijzondere scholen ook algemeen bijzonder (AB) kunnen zijn, en dat deze vervolgens uit kunnen gaan van een pedagogische-didactische richting zoals Montessori of Dalton. De wetgever hanteerde namelijk tot in de jaren twintig van de vorige eeuw het criterium van de erkende richtingen nog niet, maar zag zich daartoe door budgettaire overwegingen uiteindelijk wel toe gedwongen. De reeds opgerichte AB-scholen mochten daarna blijven bestaan. Nu zegt Verhoef dat de aan godsdienst verbonden scholen doorgaans geen werk meer maken van die denominatie; het geloof is er uit en is enkel nog een aanduiding op de gevel. Hij ziet dan ook geen reden om de overheidsbekostiging voor het christelijk bijzonder onderwijs te continueren. Maar dat zou dan wat mij betreft óók moeten gelden voor vrije scholen die geen – of te weinig (?) – werk maken van de leer van Rudolf Steiner. Ook die krijgen dan geen overheidsbekostiging meer. En sowieso niet voor de AB-scholen, want die hebben per definitie geen werk gemaakt van welke  denominatie dan ook. De auteur slaat dit element in zijn betoog echter helemaal over; hij heeft het vrij expliciet over het stopzetten van financiering voor het ‘vervaagde’ christelijk onderwijs, maar geeft niet aan of dit ook geldt voor andere bijzondere scholen die geen of te weinig (?) werk maken van een godsdienst of levensovertuiging. Hij vergeet daarmee wat mij betreft een plankje.

Vrijheid en segregatie
Dan nog een laatste punt. Verhoef geeft aan dat bijzondere scholen die uitgaan van een denominatie, gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om leerlingen en personeelsleden de toegang tot de school te weigeren als deze de eigen leer niet onderschrijven of respecteren. Dat klopt; het is een belangrijk beginsel dat verbonden is aan de vrijheid van richting die wordt gegarandeerd door de Grondwet en is geconcretiseerd in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). De wetgever geeft scholen deze mogelijkheid, maar overigens alleen als deze nodig is voor het realiseren van de doelstelling van de school zoals opgeschreven in de statuten en als de werkwijze voor álle leerlingen en personeelsleden gelijkelijk wordt toegepast. Van deze mogelijkheid wordt echter maar zeer sporadisch gebruik gemaakt. Verhoef geeft dat zelf trouwens s ook aan. Slechts een paar procent van het scholenbestand hanteert actief deze vrijheid.

Verhoef koppelt echter de optie die de AWGB aan bijzondere scholen biedt, aan het (ongewenste) fenomeen van onderwijssegregatie. Hij zegt: ‘doordat bijzondere scholen deze optie hebben, ís er segregatie’. Dat is mij wat kort door de bocht. Segregatie is immers en helaas van alle tijden. Ooit waren er ook Latijnse en Franse scholen en gymnasia voor de kinderen van burgers die dat konden betalen; de uitbouw van het onderwijsbestel vanaf 1814 en de ommekomst van de leerplicht maakte onderwijs voor velen toegankelijker. Maar ‘onderscheid maken’ is gebleven.

De Inspectie beschreef in de Staat van het Onderwijs 2018 dat er inderdaad nog steeds een relatief klein segment van ouders is dat hecht aan hun religie en/of etnische achtergrond en daarom kiest voor een school van een heel specifieke denominatie. Tegelijkertijd: vooral hoger opgeleide ouders kiezen voor een school die uitgaat van een bepaald onderwijsconcept, zoals Montessori-, een Wereldschool of een school met veel aandacht voor sport en bewegen. Dit keuzegedrag uit zich volgens de Inspectie vooral in het segment met algemeen bijzondere scholen en levert een basis voor de ongewenste sociaaleconomische segregatie waar Verhoef over schrijft. De Inspectie ziet geen grond in de stelling dat het vooral de van oorsprong katholieke en protestantse scholen zijn die het onderwijs splijten in groepen kansarme en kansrijke kinderen.

Kortom, het relatief kleine aantal scholen dat gebruik maakt van de wettelijke mogelijkheid leerlingen en personeelsleden op hun denominatie de maat te nemen, kan geen verklaring zijn voor het – helaas – voortbestaan van onderwijssegregatie. Enkele schroefjes en plankjes zijn in het vertoog niet correct gemonteerd.

De kerk van staat
Verhoef pleit uiteindelijk voor een gemengde school. Dat lijkt een neutrale optie te zijn, maar dat is het in beginsel niet. Want volgens zijn vertoog zijn er geheel geen scholen meer die hun motivatie, gedrevenheid en bevlogenheid bij onderwijs putten uit een religie of levensbeschouwing. Dat komt dan niet meer voor. Op álle scholen staat dan ‘de kerk van de staat’ centraal: alle scholen vertellen over alle religies en burgerschapsonderwijs krijgt een belangrijke plaats. Bijzonder en openbaar komen samen.

Ook dat slotstuk - ‘openbaar en bijzonder komen samen’ - klopt helaas niet helemaal. Want een gemengde school zoals Verhoef die beschrijft, is een openbare, algemeen toegankelijke school, die uitgaat van neutraliteit en ‘de kerk van staat’ centraal stelt: de waarden en normen van de westerse samenleving en democratische beginselen, whatever these may be. Neutrale scholen dus die sterk op elkaar lijken en die primair de communis opinio uit Den Haag volgen. Allemaal hetzelfde.

Daar kun je als auteur voor kiezen, en daar kunnen ook een wetgever en een land voor kiezen. Die keuze betekent echter ook dat er geen recht meer is van het individu of de groep om een bekostigde school te stichten die (ook) uitgaat van een eigen geloof of levensovertuiging. Zij moeten dan hun toevlucht nemen tot onbekostigd onderwijs, als we er tenminste vanuit gaan dat er ook dan nog een vorm van vrijheid van onderwijs is.

Een beetje eng wordt het onderwijsbestel dan wel. En een beetje wankel.

Verhoef, C. E. H. J. (2014). Inperking vrijheid van onderwijs. De maatschappelijke noodzaak tot herziening van artikel 23 van de grondwet. Soesterberg: Uitgeverij ASPEKT

Renée van Schoonhoven
Hoogleraar onderwijsrecht en bijzonder hoogleraar onderwijsrecht met betrekking tot het beroepsonderwijs Vrije Universiteit te Amsterdam.
r.van.schoonhoven@vu.nl



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
CAPTCHA Image
Nog geen reacties geplaatst

Uw internetbrowser is verouderd.

Voor een goede weergave is een recente versie van uw browser vereist.