Nieuws

maandag 05 november 2018

Leestips november 2018

Een onmogelijke man
Anneke Westerhuis

Remieg Aerts (2018). Thorbecke wil het. Biografie van een staatsman. Amsterdam: Prometheus

Deze zomermaanden zat ik middenin de 19e eeuw. Gelukkig was het een lange zomer, want de biografie van Thorbecke, dé man van de 19e eeuw, is nogal omvangrijk, maar niettemin zeer lezenswaardig. In een tijd dat publieke en private belangen geheel door elkaar liepen, sterker, men was zich van geen onderscheid bewust, was hij degene die - volgens biograaf Remieg Aerts - de staat in de vorm van taken, functies, verantwoordelijkheden en bestuur een eigen gezicht heeft gegeven. De staat is van iedereen. Iedereen is staatsburger: ‘de moderne staat is een gemeenschap waarin het collectief van burgers zichzelf regeert, met uitsluiting van voorrecht’.

Onderwijs moet op dat politieke en maatschappelijke burgerschap voorbereiden; opleiden voor burgerschap staat in een lange traditie! Zoals de staat voordien nog geen hoeder was van het algemene publieke belang, was er ook nog geen onderwijs dat op actief burgerschap voorbereidde. Het door Thorbecke geïntroduceerde burgeronderwijs had dan ook een duidelijke maatschappelijke taak: verzorgen van een breed vormende, op maatschappelijke toepassing gerichte scholing van alle burgers. Dat onderwijs kon 2, 3 of 5 jaar worden gevolgd met maar één oogmerk: versterken van het intellectuele, praktische en productieve vermogen van de hele bevolking, van alle burgers. Kortom, de bevolking opvoeden tot burgers die zichzelf kunnen regeren.

Dus ook de ongeschoolde arbeiders. Je zou het misschien niet verwachten, maar al in 1830 signaleert Thorbecke dat de concentratie van arbeid in fabrieken leidt tot het ontstaan van een ongeschoolde onderklasse die volstrekt afhankelijk is van hun werkgevers. Alleen onderwijs kan daar verandering in brengen, omdat het die afhankelijkheid kan doorbreken. Dat de korte vorm, de tweejarige variant van de burgerschool die voor deze groep was bedoeld, geen succes is geworden is gezien het toenmalige ontwikkelingsniveau van de economie geen verrassing. Dat mag je dan jammer noemen, want daarmee is ook een goede algemene (basis)vorming van alle jonge inwoners van dit land achter de horizon verdwenen.

En toch een onmogelijke man? Volgens de biograaf kwam Thorbecke door jarenlange studie gecombineerd met een briljant verstand en de in zijn ogen halfzachte analyses van zijn tijdgenoten, tot de conclusie dat alleen hij dit nieuwe Nederland tot stand kon brengen: ‘daarin was geen compromis mogelijk. Hij eiste overgave – volledige erkenning van zijn gelijk’. Elke historische gelegenheid doet zich maar één keer op een ideaal moment voor en hij was de juiste man op het juiste moment. Daarmee maak je geen vrienden. Maar zoals wel vaker met mensen met een roeping, na hun dood komt de waardering. Ook voor de waardering van iemands prestaties zijn er minder ideale en ideale momenten. De laatste doorgaans na hun dood.

Het revolutionaire karakter van Thorbecke’s burgerscholen blijkt overigens uit lokale verhalen. Ook in mijn geboortestad, Harlingen, worden burgerscholen opgericht. De tweejarige als opvolger van de stadsbouwkundige tekenschool, waar 14- tot 20-jarigen zich onder leiding van de stadsarchitect op  winteravonden kunnen bekwamen in bouw- en tekenkunde. In 1865 maakt de school plaats voor tweejarige cursus van de Burger Avondschool, die met de Burgerschool en de Hogere Burgerschool in één gebouw is ondergebracht. De school heeft het niet makkelijk. In eerste aanleg is het aantal aanmeldingen bescheiden, ook al vanwege tegenwerking van privédocenten die hun broodwinning zien verdwijnen. Wat helpt is de verlaging van het schoolgeld. Maar er zijn meer problemen. De meeste leerlingen zijn inmiddels veel van wat ze in het lager onderwijs hebben geleerd vergeten. In de woorden van die tijd doen de leraren, vooral in de Nederlandse taal en rekenkunde hun uiterste best om ‘de meest achterlijke leerlingen in staat te stellen het onderwijs met vrucht te volgen’. Dat er ook veel uitvallers zijn kan geen verrassing zijn.

Voor wie meer wil weten over die Harlingse school: zie http://files.webklik.nl/user_files/2010_07/153420/Stads_bouwkundige_tekenschool_Harlingen_1827-1873.pdf

 

Soft èn hard skills zijn nodig
Gerritjan van Luin

Buit, A. & Appelo (1018). Red de alfawolf. Zachte leiders maken stinkende wonden. Amsterdam: Boom uitgevers


De titel is wat misleidend: de auteurs houden geen pleidooi voor alleen ‘hardcore’ vechters aan de top van organisaties, net zomin als ze afscheid willen nemen van overtuigde verbinders. Het gaat niet om hard of zacht. Een organisatie heeft immers niets aan “brullende narcisten”, maar ook niets aan “mediterende en liefdevol glimlachende collega’s”. Met deze karikaturen is de boodschap van het boek even duidelijk als niet verrassend: “een leider moet over soft én hard skills beschikken en weten op welk moment hij uit werk vaatje moet tappen.” Dus moet de narcist zich (laten) polijsten en “de verbindende slappe hap” moet manifesteren wanneer dat nodig is.
 

Het draait volgens de auteurs in de kern bij leiderschap steeds om: alertheid, authenticiteit, wederkerigheid en flexibiliteit. Dit werken de auteurs uit in een model met vier leiderschapsscrips (alfawolf, inspirator, bestuurder, manager), waarna ze uitgebreid vertellen over hoe met dit model in de praktijk aan leiderschap gewerkt kan worden. Een mooi, belangrijk en goed geschreven boek voor leiders en coaches.

 

 

‘Ga pielen en klungelen’
Pieter Leenheer

 

Eigenlijk heb ik weinig aanleg voor spiritualiteit, dus haak ik makkelijk af bij titels als De zinmakers. Maar in het geval van Kuikens zinmakers bleek het maar goed dat ik dank zij de ondertitel Nieuw organiseren in tijden van complexiteit en onzekerheid toch maar even doorbeet. In dit boek gaat het, aldus filosoof en adviseur Kuiken, ’bij het zin maken en zin geven (...) niet om antwoord te vinden op de vraag naar de zin van het le­ven (the meaning of life). Waarschijnlijk is dat een klus voor een heel leven, en zelfs dan is het nog maar de vraag of je er ooit een bevredigend antwoord op vindt. Nee, het gaat veel meer om de vraag of de dingen die je dagelijks doet, die je denkt en ervaart, voor jou zin hebben (make sense): of het klopt, of het overeenstemt met het beeld van de wer­kelijkheid dat je in de conversaties met anderen en jezelf hebt gevormd’ (p.136/7). Aan die uitspraak gaat een goed geschreven, maar soms wat erg uitgesponnen uiteenzetting vooraf van het kernbegrip in De zinmakers: complexiteit.

Dat  de maakbaarheidsgedachte in veel gevallen niet werkt en vaak alleen maar voor extra bureaucratie zorgt, behoefte hier geen betoog. Maar critici van die gedachte baseren zich nogal eens op de chaostheorie  en dat klopt eigenlijk ook niet. Chaotische  systemen zoals het weer zijn weliswaar niet lineair, maar houden zich wel keurig aan de natuurwetten en zijn dus, in elk geval in theorie, zeer voorspelbaar. Dat gaat niet op voor complexe systemen zoals mierenkolonies en met name menselijke organisaties: hun ontwikkeling is vaak onvoorspelbaar, omdat ze bepaald wordt door de interactie tussen de agents, de mieren, de automobilisten op de snelweg, de beurshandelaren, wier handelingen elkaar beïnvloeden zonder dat daar een plan achter zit. Anders dan de maakbaarheidsdenkers, van Descartes tot de neoliberalen, veronderstellen, is de mens geen autonoom wezen dat kan worden wat hij wil,  maar een door-en-door sociaal wezen.  Organisaties ontstaan door interacties tussen mensen en uit de verhalen die ze vertellen, ontstaan groepsidentiteiten: ‘We worden gevormd door de sociale processen die we zelf mede vormgeven’.

Aan de toenemende complexiteit van de samenleving valt niet te ontkomen en je kunt je daardoor gemakkelijk laten ontmoedigen. Je hebt immers geen controle. Je hebt daarentegen, aldus Kuiken, wel degelijk invloed en wel door met elkaar het gesprek aan te gaan, en dat is een gedachte die goed aansluit bij de DNM Focus die we eerder in deze nieuwsbrief aankondigden. Veel leraren beschermen zich tegen zowel de protocollen en rapportages van de maakbaarheid als de onmiskenbaar lastige kanten van complexiteit door zich terug te trekken in de beschutting van het klaslokaal. Dat is op termijn volstrekt contraproductief. Beter is het Kuikens raad te volgen en in de geest van Aristoteles’ praktische wijsheid met elkaar het gesprek te voeren over vragen als: wat is goed onderwijs? En wat is je werk goed doen?  Ervaring en experimenteren spelen daarbij trouwens een belangrijker rol dan plannen en beleidsstukken. ‘Stop met plannen maken en beleidsstukken schrijven’, aldus Kuiken. En voegt daar een mooie variant op Cruijffs ‘je gaat het pas zien als je het doorhebt’ toe: ‘ga pielen en klungelen. Je weet toch niet wat er gebeurt, totdat je het uitprobeert’ (p. 154).  



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
CAPTCHA Image
Nog geen reacties geplaatst
Uw internetbrowser is verouderd.

Voor een goede weergave is een recente versie van uw browser vereist.