Nieuws

 

donderdag 05 november 2020

Leren anders organiseren

Leestip

Jeroen Onstenk

Steeds meer basisscholen werken niet meer in  jaarklassen, maar experimenteren met lesgeven aan grotere groepen leerlingen in units door meerdere samenwerkende professionals: leraren, vakspecialisten en ondersteuners. Het doorbreken van jaarklassen belooft een antwoord op uiteenlopende actuele en stevige uitdagingen waar scholen voor staan: hoe kun je passend onderwijs bieden en voldoende differentiëren? Hoe ga je om met het lerarentekort? Hoe geef je leraren een minder geïsoleerde positie binnen de school. Kinderen leren binnen een unit in verschillende groeperingsvormen. Het team van onderwijskrachten is samen verantwoordelijk voor de ontwikkeling van alle kinderen. Dit boek laat goed zien hoe dat werkt in de praktijk en wat het betekent voor de school, de leraar en de leerlingen. Leren anders organiseren wordt in het boek consequent dubbel opgevat: het gaat om het anders (beter) organiseren van het leren van kinderen en om het anders organiseren van het leren van de professionals in de school.

De kracht van het boek is de grote rijkdom aan praktische suggesties en voorbeelden en de uitwerking van een systematische, onderbouwde aanpak. Het boek is vooral gebaseerd op ervaringen die zijn opgedaan in scholen die hebben deelgenomen aan het TOM (Teamonderwijs Op Maat) project en vooral aan het daaropvolgende SlimFit-project. De auteurs, een onderzoeker en twee adviseurs, zijn al heel lang nauw betrokken bij deze (gesubsidieerde) onderwijsvernieuwing en het uitwerken van de SlimFit Leren anders organiseren methodiek.

Varianten
Van unitonderwijs bestaan vele varianten. Het boek geeft een model, bestaande uit twee dimensies: groeperingsvormen enerzijds en organisatievormen van het leren anderzijds.


De verticale dimensie, de groeperingsvormen, bestaat uit een oplopende reeks vormen van alternatieven voor het jaarklassensysteem. De horizontale dimensie betreft een toenemende mate van individualisering en (zelf)sturing van leerlingen. De auteurs stellen dat dit een neutraal schema is (alle cellen zijn even goed), maar feitelijk zien zij (en veel scholen) een gewenste ontwikkeling naar de meer vergaande varianten. Daadwerkelijk komen de meeste projectscholen uit op variant 5 of 6.

De pedagogisch-didactische lijn
Wellicht de grootste uitdaging is het ontwikkelen van een doorgaande pedagogisch-didactische lijn. Beoogd doel is door maatwerk meer ruimte geven aan verschillen en doorgaande ontwikkeling. Met name de varianten in de laatste kolom (7-9) vergen aanzienlijk meer van leerkrachtenteams, zowel qua ontwikkeling van didactisch materiaal (leerlijnen) als qua begeleiding (maatwerk). De uitwerking hiervan is een wat zwakker deel van dit boek. Door het afschaffen van de jaarklassen zijn er minder harde knippen in de ontwikkeling van de kinderen (zittenblijven). Er ontstaat ruimte voor (en behoefte aan) doorgaande leerlijnen en diversiteit in deze leerlijnen. Dan is het beter mogelijk uit te gaan van verschillen tussen kinderen. Dat impliceert meer Inzicht in de (eigen) ontwikkeling van kinderen. Er wordt verwacht dat kinderen leren reflecteren op hun eigen gedrag en leren. Dat is net zo goed een noodzaak als een beoogd effect van het concept anders leren. Er worden een aantal hulpmiddelen benoemd, zoals plan- en kiesborden of  het (zelf) kunnen monitoren van de ontwikkeling via een datamuur of portfolio. Impliciet wordt er veel verwacht van de eigen ontwikkeling van onderwijsmateriaal, leerplannen en ontwikkelingslijnen per vak. De bedoeling is dat kinderen leren initiatief te nemen, onderzoekend leergedrag ontwikkelen en bewuste keuzen maken voor hun eigen werkplanning, voor samenwerken of voor zelfstandig werken. Ze leren verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen rol in de leeromgeving, met als kern: respect voor jezelf en voor anderen (“de opgeruimde school”), hiertoe uitgedaagd door de flexibel gestructureerde leeromgeving. Er wordt nogal wat verwacht van zelfstandigheid van kinderen om de organisatiedruk rond roostering, begeleiding en monitoring te verminderen. Hoe belangrijk het bevorderen van zelfstandigheid voor leerlingen ook is, het is de vraag of men ze zo’n rol en verantwoordelijkheid in de organisatie moet geven.

Indeling van de school
Om de nieuwe organisatiestructuur van de school vorm te geven worden een aantal ‘bouwstenen’ in het boek beschreven: de basisgroep, werkblokken, vakspecialisten, dagstructuur, planning en werkvloeroverleg. Er is veel aandacht voor de inrichting van het gebouw en ruimtes, inclusief de inzet van meubilair. Dit komt in een apart hoofdstuk vol nuttige suggesties aan de orde. De gebruikte beeldspraak daarbij vind ik wat minder geslaagd: een ontschotte school kan kiezen tussen het camping en het fancy fair model, beide bij uitstek vrijtetijdsomgevingen zonder gerichte doelen. Maar wellicht denken de auteurs aan de oude Griekse betekenis van de school als vrije (ontwikkel)tijd.

Teamontwikkeling
Anders leren organiseren staat of valt met de motivatie en ontwikkeling van het onderwijspersoneel. Het boek kan gelezen worden als een warm pleidooi voor een goed ontwikkeld personeelsbeleid van scholen, met als kernwoord teamontwikkeling. Binnen het team moet een professionele dialoog over het primaire proces plaatsvinden, omdat diverse medewerkers samen verantwoordelijk zijn voor al het onderwijs aan de kinderen. Dit biedt ruimte voor talentontwikkeling en inzet op specifieke kwaliteiten.  Er komt ruimte voor verschillen en inzet op talent. Individuele ontwikkeling wordt expliciet ten dienste gesteld van de schoolontwikkeling. Dat impliceert wel dat zeggenschap over eigen werk binnen het team nodig en mogelijk is. Men gaat uit van zelfverantwoordelijke teams.

Veel aandacht in het boek krijgt dan ook de school als organisatie en de rol van de schoolleider daarbij. Veel meer dan bij een traditionele school vraagt de inzet van het personeel veel aandacht. Er worden een reeks rollen (in plaats van functies) onderscheiden, dus de rolverdeling moet vastgelegd worden. Er is veel meer afstemming nodig op de werkvloer. Het gaat daarbij ook om effectieve en efficiënte inzet van personeel. Er moet gewerkt worden aan een open professionele leercultuur, met respect voor de inbreng van alle betrokkenen. Door de zelfsturende capaciteit van de teams hoeft de schoolleiding naar verwachting van de auteurs minder aandacht te besteden aan regeltaken en kan zich meer richten op het realiseren en bewaken van de visie en de doelen.

Misschien een iets te optimistische inschatting. Er kunnen knelpunten optreden bij de transformatie en consequente uitvoering, met name bij bestaande scholen. Er wordt veel gesproken over de mogelijkheden voor leerkrachten (bv specialisatie) en wat er zou kunnen, minder over hoe je dat dan doet. Ook hier geldt dat het geven van ruimte (en het scheppen van een noodzaak) nog geen realisatie betekent. Hoe wordt iemand  specialist. Wat doe je met leerkrachten die het jammer vindt als een specialist een bepaald vak overneemt. Is er inderdaad  geen ruimte meer voor leerkrachten die een klas (ook) zien als ‘hun’ klas. Hoe krijg je het team mee? Wat doe je als de school vanwege het accent op maatwerk en verschillen een (te) grote toestroom krijgt van leerlingen die extra aandacht vragen. Wat doe je als de CITO-resultaten in het begin tegenvallen (zoals bij SlimFit), ook al zie je veel groei van leerlingen. Of als de inspectie kritische opmerkingen maakt over te korte instructietijd? Eenvoudig zeggen dat de inspectie nu eenmaal ouderwetse opvattingen heeft over onderwijs is dan niet erg behulpzaam.

Rol van de ouders
Een laatste punt: Het boek wijst er terecht op dat intensief contact met de ouders noodzakelijk is, bijvoorbeeld bij de verantwoording van het concept en gebouwinrichting (waar is de klas?). Maar het valt op dat ouders niet genoemd worden bij het volgen en in beeld brengen van de ontwikkeling van hun kinderen op de leerlijnen (bv via portfolio). Als je kinderen een grote rol daarbij geeft, is een goede relatie met de ouders noodzakelijk. Juist omdat je als school de individuele ontwikkeling van kinderen meer gedetailleerd in beeld brengt, is er ook veel te vertellen en bespreken met ouders.  

Tot slot
Leren anders organiseren en unitonderwijs vormt een aantrekkelijk perspectief. Het boek bevat, naast talloze inspirerende voorbeelden, een indrukwekkende lijst ‘verworvenheden’ ervan. Wellicht had deze lijst beter doelen,  beloften en mogelijkheden genoemd kunnen worden. Het feit dat er ergens ruimte voor komt, wil nog niet zeggen dat die ruimte ook wordt gepakt en goed ingevuld. Het uiteindelijke doel betreft verbetering van de kwaliteit van de ontwikkeling van kinderen. Met het ontwikkelen van een visie hierop begint ook het in het boek geschetste transformatieproces. Tegelijk blijkt uit de voorbeelden dat dit lang niet altijd de eerste reden is waarom scholen gaan denken over doorbreken van het jaarklassensysteem. Sterker nog, het wordt niet genoemd als aanleiding om ermee te beginnen, wel als inspiratie. Als dit boek iets duidelijk maakt, is dat de keuze voor een radicaal andere organisatie van het onderwijs die haar beloften waarmaakt een keuze betekent voor een complex en langdurig transformatieproces met organisatorische, maar vooral ook pedagogisch-didactische uitdagingen.

Imants, J., Berendse, M., & Van Sijl, I. (2020). Leren anders organiseren. De praktijk van scholen die het jaarklassensysteem loslaten. Rotterdam: Bazalt

 

Jeroen Onstenk
Redactielid DNM
jeroenonstenk@outlook.com

 

 



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
CAPTCHA Image
Nog geen reacties geplaatst
Uw internetbrowser is verouderd.

Voor een goede weergave is een recente versie van uw browser vereist.