Nieuws

Nieuwsbrieven2019 20182017     
 FebruariFebruariFebruari     
 MeiMeiMei     
 AugustusSeptemberAugustus     
 NovemberNovemberNovember     


dinsdag 12 november 2019

Vooruitblik op DNM 6.4

Pieter Leenheer

Ooit had het curriculum van het funderend onderwijs iets volstrekt vanzelfsprekends. Een enkeling, en dan vooral pedagogen, wilde er nog wel eens vraagtekens bij zetten. Maar in het algemeen was dat bepaald niet de bedoeling. Als leerlingen wilden weten waarom ze iets moesten leren, was het standaard-antwoord dat ze dat later wel zouden begrijpen. Met een dergelijk antwoord komt een leraar of schoolleider tegenwoordig niet zo makkelijk meer weg. Het is echter de vraag of die leraren van vroeger met het mes op de keel met een veel bevredigender antwoord zouden zijn gekomen. Anders dan de laatste jaren het geval is, stond immers de vraag naar het waarom, wat en hoe van het onderwijs niet bijzonder prominent op de agenda. En dat standaard-antwoord dat je het later wel zou begrijpen, had dus ook wel iets van handelingsverlegenheid.


Die handelingsverlegenheid is echter bepaald niet verdwenen, nu sinds de opkomst van Gert Biesta menige bestuurder, schoolleider en leraar vindt dat onderwijs de tijd moet nemen voor de vraag naar het waarom, wat en hoe van het onderwijs. Want om allerlei redenen blijkt het lastig daarvoor tijd in te ruimen. Deels door bijvoorbeeld de onmiskenbaar toegenomen werkdruk, deels echter ook doordat men vast zit aan bepaalde organisatiepatronen en/of dènkt dat de wetten geen ruimte laten terwijl dat wel degelijk het geval is. Dat alles is overigens zeker geen uniek kenmerk van onderwijs. In de zorg bijvoorbeeld speelt het net zo goed. Ook daar is het geen eenvoudige zaak om tijd voor reflectie te organiseren. Dat vergt leiderschap, betoogde een paar jaar geleden, in april 2016, Jan Lavrijsen, de vice-voorzitter van (hoe eigentijds wil je het hebben) de Verbetertafel Deskundige Professionals op de zorgnieuws-site Skipr, in de blog Professionals: neem ruimte voor reflectie tijdens het werk. En dan niet alleen leiderschap van bestuurders en managers in de zorg, maar ook persoonlijk en professioneel leiderschap van de medewerkers zelf.  


Mutatis mutandis geldt dat allemaal natuurlijk ook voor onderwijs. Van belang is dan echter wel een goed beeld van wat je onder leiderschap verstaat, en daarover gaat het openingsartikel van het magazine-deel van DNM 6.4 dat half december zal verschijnen: Leraren en schoolleiders: leiders en volgers. Vier perspectieven op leiderschap van leraren van HvA-lector Marco Snoek. Meer dan voorheen streven scholen naar het creëren van gedeeld leiderschap, aldus Snoek. Daarbij zitten echter vaak ingeslepen patronen en mentale modellen rond leraarschap en leiderschap in de weg. Zoals het ‘helden’-paradigma, waarin de schoolleider acteert als krachtig leider die een bedreigde school weet om te vormen tot een succesverhaal. Een beeld dat soms ook overgedragen wordt op de teacher leaders, die dan de nieuwe ‘helden’ worden, met als uiteindelijke resultaat dat je meer weerstand dan gedeeld leiderschap hebt gecreëerd. Aan de hand van ervaringen op het Amsterdamse Hyperion Lyceum verheldert Snoek het concept en brengt hij in kaart hoe je het dan wel zou kunnen aanpakken. In het magazine-deel van DNM 6.4 komt trouwens ook nog een heel andere kant van leiderschap aan de orde: wat moet je als schoolleider doen als je bijvoorbeeld middenin een onaangename Twitterstorm verzeilt geraakt bent? In Leiderschap en plein public. Als publiek leiderschap vooral publiekelijk wordt uitgemeten laat adviseur Annejan van den Dool zien wat voor soort leiderschap in dergelijke situaties nodig is.


De overige twee magazine-artikelen bestrijken heel andere thema’s dan leiderschap. Internationalisering: motor voor innovatie en kwaliteit van opleiden in het mbo van Eline van der Net en Ellen Hanselman (beiden verbonden aan CINOP) laat mede op basis van interviews met 23 bestuurders van mbo-instellingen waarin internationalisering hoog op de agenda staat, zien hoe belangrijk internationalisering is voor het mbo. Niet alleen omdat veel mbo-studenten naar het buitenland gaan, maar vooral ook omdat een internationale oriëntatie eveneens voor beroepen op mbo-niveau belangrijk is. Daarnaast beschrijven in Collegiaal waarderend onderzoek. Een krachtig alternatief voor een klassieke visitatie de adviseurs Annechien van Buurt en Eefje Teeuwisse hun ervaringen met een visitatiemodel dat afwijkt van de klassieke audit waarbij beoordeeld wordt vanuit een vooraf vastgesteld kader. Het grote nadeel van die aanpak is, aldus Van Buurt en Teeuwisse, dat medewerkers van de bezochte school zich lang niet altijd gezien en gekend voelen en daardoor moeite hebben om in de spiegel te kijken die hen wordt voorgehouden. Met bijvoorbeeld als gevolg dat de bezochte school in de verdediging schiet en de adviezen naast zich neerlegt, of juist uit angst voor een negatief eindoordeel mooi weer gaat spelen. In het Collegiaal Waarderend Onderzoek (CWO) dat Van Buurt en Teeuwisse hebben ontwikkeld, brengen scholen bij elkaar in kaart welke krachten, successen en ontwikkelkansen zich voordoen bij bepaalde relevante vraagstukken, vanuit de overtuiging dat elk systeem de oplossing voor het vraagstuk al voor een deel in huis heeft. En dat werkt klaarblijkelijk een stuk beter.


Focusdeel DNM 6.4

Het Focusdeel van de komende DNM gaat over de relatie tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk. De titel ervan, Wat wéten we nou eigenlijk?, suggereert wellicht dat dit deel een inventarisatie van onbetwistbare kennis uit onderwijsonderzoek is. Maar dat is allerminst het geval. We hebben de bijdragen ervoor gegroepeerd in twee delen. De eerste reeks gaat over de vraag wat er nodig is om vruchtbare contacten tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk te bevorderen. Daarin komen uiteenlopende zaken aan de orde: van samenwerkingsvormen tussen onderzoek en onderwijs en de impact van de Kennisrotonde en bladen als Didactief tot wat er aan de kant van de scholen, schoolleiders en lerarenopleiding nodig is, zoals de bevordering van kritisch consumentschap en een lerende organisatie waarin een onderzoekende houding de gewoonste zaak van de wereld is. De tweede reeks bestaat uit reflecties over uiteenlopende aspecten van ons thema. Over de vraag wat je van onderwijsonderzoek mag verwachten, maar ook over wat we daarin missen. Over de vraag wat we bedoelen als we zeggen dat we iets weten, maar ook over de toon van het debat over de waarde van onderzoeksuitkomsten.

De Focus sluiten we af met de weergave van een panelgesprek met een aantal schoolleiders, leraren en onderzoekers. Dat leek ons voor een blad als DNM een passende epiloog bij dit thema. In deze nieuwsbrief komt het thema trouwens nog op twee plekken terug. Ten eerste in de aankondiging van de pilot waarbij deelnemende leraren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een jaar lang gratis toegang krijgen tot meer dan een miljoen wetenschappelijke artikelen over onderwijsonderzoek. En ten tweede in de uitnodiging voor de lectorale rede van Hester IJsseling (Thomas More hogeschool Rotterdam) waarin ze een beeld zal geven van haar onderzoek naar persoonsvorming, de moeilijkste van de drie doeldomeinen die we tegenwoordig onderscheiden: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming.



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
CAPTCHA Image
Nog geen reacties geplaatst

Uw internetbrowser is verouderd.

Voor een goede weergave is een recente versie van uw browser vereist.