Nieuws

 

donderdag 12 mei 2022

Het wonder van de HBS

Leestip

Ferdinand Mertens, o.m. oud-Inspecteur-Generaal van het Onderwijs

In 2017 publiceerden Roelof Bouwman en Henk Steenhuis Wij van de HBS. Terug naar de beste school van Nederland, een boek over de vroegere Hogere Burger School (HBS) waarin de auteurs er alles aan doen om te laten zien dat dit eigenlijk een schanddaad is: hoe kun je iets wat zo goed was opheffen? Gestimuleerd door dat boek schreef historicus Jan Blokker een proefschrift waarin hij de vroegste geschiedenis van de HBS op het spoor kwam. Blokker noemt de invoering van de HBS een geslaagd voorbeeld van onderwijsvernieuwing en vraagt zich af hoe dit zo heeft kunnen gebeuren. Wat waren de factoren waardoor deze door de overheid geïnitieerde onderwijsvernieuwing tot een alom gewaardeerd schooltype kon leiden?  Bij het beantwoorden van die vraag laat Blokker zich inspireren door het ‘frame’ van de Commissie Dijsselbloem waarbij het ‘wat’ er geleerd moet worden door de overheid zou mogen worden bepaald en het ‘hoe’ door de professionals – een ‘modern’ begrip overigens dat in de tijd van het ontstaan van de HBS nog niet in zwang was. Blokker meent dat in de onderzochte situatie ook terug te vinden en ziet de uitkomst van zijn studie als een bevestiging van de juistheid van de Dijsselbloem-aanbeveling. Alternatieve verklaringen heeft hij niet geformuleerd en onderzocht. Ik maak enkele opmerkingen bij de plezierig leesbare en informatieve studie.

Rijksscholen als referentiepunt
De HBS, ingevoerd in 1863, was een uitdrukkelijk door de overheid gewilde verandering om een maatschappelijk doel te bereiken: de modernisering van Nederland door een groep hoogwaardig en in de moderne wetenschap opgeleide jonge mannen(!) te vormen. Om niet afhankelijk te zijn van het regionale vermogen tot het oppakken van iets nieuws nam de toenmalige premier Thorbecke in de wet op dat het Rijk zelf die scholen kon stichten en beheren, en hij nam meteen een optie voor 15 scholen. Verdere initiatieven waren aan de Gemeenten. Het leerplan voor de nieuwe school was open geformuleerd, maar hoe open vermeldt Blokker niet; in elk geval was er ruimte voor verscheidenheid in de eerste jaren van de ontwikkeling. Blokker documenteert ook niet of er ondergrens bestond: wanneer mag met recht van een HBS (driejarig? vijfjarig?) gesproken worden?

Bij de toekenning van scholen had de minister de regie. Hij nodigde velen uit om initiatieven te nemen, maar hield het beslisrecht bij zichzelf. Bij de toekenning speelden verschillende overwegingen een rol en zeker ook overwegingen die met de nog jonge staatsvorming van doen hadden. Zo was het voor een Limburger zoals ik interessant om te lezen dat Thorbecke de provincie Limburg stevig met HBS-en wilde bezetten teneinde de provincie aan Nederland te binden. Ook zijn besluit om in het centrum van het katholicisme van Limburg, Roermond, een school te stichten was echt wel een provocatie. Thorbecke had met zijn liberalen de macht en nam die. Aan het schaakspel bij de toekenning van scholen zal Thorbecke en zijn team ook wel plezier beleefd hebben. Hij gebruikte de HBS als ‘carrot’ en schroomde niet om de begerigen even wat te laten bungelen.

Voor de gemeenten zal het zeker aantrekkelijk geweest zijn dat de wet in het begin niet leidde tot opheffing van bestaande scholen, maar dat de wetgeving kennelijk voldoende ruimte bood om bestaande scholen in de hbs op te laten gaan, eventueel met lokale bijzonderheden. Van meet af bestond het beeld dat de overheid bereid was goed te betalen. Met de eigen Rijksscholen kon de centrale overheid voor de bekostiging van de scholen een norm stellen, in het bijzonder ook voor de lerarensalarissen. De gemeenten werden door de inspecteurs onder druk gezet om hogere salarissen te betalen wanneer die onder de norm van het Rijk waren, wat zeker in de beginjaren vaak het geval was. Het salaris van de leraren was trouwens bijzonder hoog. Ze verdienden vier tot vijf keer meer dan de onderwijzer aan de lagere school. De school schroomde niet een eliteschool te zijn en heette niet voor niks ‘hogere burgerschool’, in het midden latend of de school voor hogere burgers was of dat je er hogere burger door werd.

De invoering van de wet werd begeleid door een team van drie hoogwaardige inspecteurs: mannen met inhoudelijk groot gezag en die, zo zien we in de studie, er ‘bovenop zaten’. Het heeft er de schijn van dat het gezag van de inspecteurs onomstreden was. Interessant is trouwens dat inspecteur Steijn Parvé de rechterhand van Thorbecke was bij het concipiëren van de wet en vervolgens de invoering van de wet als inspecteur stevig in de hand had. Dit innovatiemodel paste bij de tijd waarin immers gezag en autoriteit aanvaard werd (of moest worden). Blokker schrijft: “De steun vanuit de Inspectie was in het algemeen erg belangrijk maar van strakke voorschriften was geen sprake.” (p. 232). Dat mag dan misschien zo zijn, maar in de praktijk zullen de inspecteurs hun opvattingen, indien nodig, met zachte hand hebben doorgezet en als het moest, zoals bij de lerarensalarissen, schroomden ze niet een ernstige brief aan het gemeentebestuur te sturen. De inspecteurs in die tijd waren sterk normatieve mannen en ze waren met het gezag van de staat bekleed. Ze kwamen niet – het reizen was in die tijd geen sinecure – om een kopje koffie te drinken.

Door de introductie van Rijksscholen had de centrale overheid een normatief referentiepunt geschapen. De inspecteurs vormden het feitelijk bevoegd gezag en gingen in principe ‘over alles’. De andere scholen konden zich aan de Rijksschool spiegelen en zoals ik niet uit Blokkers boek, maar uit mijn eigen kennis van het onderwijs weet, ze deden dat in de praktijk ook.

Ten slotte
Het is de moeite waard om de studie van Blokker te lezen en er misschien ook inspiratie in te vinden voor het heden. Rijksscholen hebben we niet meer en bij het opheffen ervan heeft niemand een traan gelaten – zo ver ik mij herinner. Hoge salarissen idem, we spreken nu over het dichten van de salariskloven. We hebben, denk ik, nog altijd wel gemotiveerde leraren, maar te weinig. We hebben ook nog inspecteurs, maar die zijn meer gebonden en van een andere snit dan ten tijde van Steyn Parvé.

Jan Blokker, (2022). Het wonder van de hbs. Een onderwijshervorming die slaagde 1864 - 1885. Amsterdam: Querido

 

Ferdinand Mertens
o.m. oud-Inspecteur-Generaal van het Onderwijs
ferdinand@mertensmail.nl



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
CAPTCHA Image
Nog geen reacties geplaatst
Uw internetbrowser is verouderd.

Voor een goede weergave is een recente versie van uw browser vereist.