DNM-Online Boeken en beschouwingen

 

DNM-Online
 

 

maandag 05 februari 2024

Klasse: terug van nooit weggeweest

Leestip

Jeroen Onstenk, emeritus lector en redacteur van DNM

 

Recent is klasse herontdekt als belangrijke determinant van maatschappelijke ongelijkheid en machtsverschillen, en daarmee als van belang voor identiteitsontwikkeling en levensloopbanen aan de orde. Drie boeken, geschreven door auteurs van verschillende leeftijden (geboortejaren 1953, 1959, 1991) en afkomst (arbeidersklasse, tuinder, precariaat) laten ieder op hun eigen wijze de spanningen en tegenstrijdige aspecten in sociale stijgingsprocessen zien: Het vonnis van de samenleving, Transklasse en Misschien moet je iets lager mikken.

Er is de laatste jaren veel aandacht voor ongelijkheid in de samenleving, omdat ook beleidsmakers inzien dat het niet alleen oneerlijk is, maar ook kan zorgen voor ontwrichting. Niet iedereen krijgt dezelfde kansen en je economische en sociaal-culturele afkomst (en je postcode) heeft veel invloed op de verdere loop van je leven. Onlangs concludeerde het SCP in het rapport Eigentijdse ongelijkheid dat Nederland een klassenmaatschappij is, waarbij niet alleen het inkomen en vermogen bepalen waar op de sociale ladder iemand staat, maar ook iemands sociale kapitaal (wie je kent), culturele kapitaal (waar je bij past) en persoonskapitaal (wie je bent). Het is zeker mogelijk dat je in een hogere klasse terechtkomt dan je ouders. Maar de mogelijkheid voor klassenmigratie is geen ontkenning van de invloed van de klassenstructuur, maar eerder een element in de reproductie ervan.  

Leraren en schoolleiders op elk onderwijsniveau hebben baat bij het lezen van deze boeken. Ze maken ervaringen zichtbaar waar ze vaak geen weet van hebben. En maken duidelijk wat de impact is van sociale achterstand en armoede. Daarnaast wordt de impact duidelijk van wat ze tegen deze leerlingen zeggen of impliciet laten blijken, al of niet met goede bedoelingen.

 

Didier Eribon: Het vonnis van de samenleving.
Het vonnis van de samenleving van de Franse socioloog en filosoof Didier Eribon verscheen als La société comme verdict in 2013 in Frankrijk. De Franse socioloog  is in 1953 geboren in een arbeidersgezin in Reims. In het enkele jaren geleden vertaalde Terug naar Reims (2009/2018) zet Eribon zijn eigen verhaal van klassenmigrant in voor een sociologische zelfanalyse. Daarbij speelt zijn bewustwording als homoseksueel (en de identiteit die dat bood in het intellectuele Parijs van de zeventiger en tachtiger jaren) en zijn kennismaking met de 'hogere’ cultuur en literatuur een belangrijke rol in het weggroeien van en uiteindelijk breken met zijn familie en klasse-achtergrond.

Die analyse wordt voortgezet en verdiept in Het vonnis van de samenleving. Eribon laat in dit boek zien dat de samenleving mensen bepaalde posities toewijst. De samenleving velt vonnissen die verregaand richting geven aan het leven. Ze trekt grenzen die hiërarchieën en scheidslijnen aanbrengen tussen individuen en groepen en die tegen elkaar uitspelen. Eribon beschrijft de mechanismen die leiden tot achterstelling en onderzoekt de logica van sociale dominantie – en reproductie. De ondertitel van het boek geeft precies aan waar het om gaat: de rol van klasse in de identiteitsontwikkeling en in levensloopbaan. De Franse titel legt subtiel een iets ander accent: de samenleving als vonnis. De klassensamenleving velt al voor de geboorte een vonnis over de plek op de sociale ladder. Het vonnis van de samenleving bestaat uit een combinatie van soms aangrijpende persoonlijke verhalen met meer theoretische en politieke beschouwingen. Hij verhaalt over zijn schaamte om een jeugdfoto van zichzelf met zijn vader op de cover van de pocketuitgave van Terug naar Reims te zetten, ook al staat het persoonlijke verhaal in het boek. En over de dubbelzinnige gevoelens die het behoren tot een familie waar je afstand van hebt genomen bij je oproept. Een mooi hoofdstuk gaat over het leven van zijn beide oma’s - leeftijdgenoten van Simone de Beauvoir. Met het weinige dat hij over hen weet, slaagt hij er toch in hen ontroerend neer te zetten: allebei uit de arbeidersklasse, allebei al jong zwanger, maar met geheel verschillende keuzes hoe om te gaan met moederschap, huwelijk en werk. Het hoofdstuk heet treffend: de listen van het determinisme. Je ontkomt niet aan het vonnis, maar kunt daar verschillend mee omgaan.

In het hele boek komt theoretische reflectie uitgebreid aan de orde, in beschouwingen over zijn ‘leermeesters’ Pierre Bourdieu en Michel Foucault, over Simone de Beauvoir en Sartre als publieke intellectuelen en over het werk van Annie Ernaux. Veel hoofdstukken zijn opgebouwd rond literaire (van Proust tot Ernaux) of theoretische (Bourdieu, Hoggart) teksten die hij telkens laat resoneren met zijn eigen geschiedenis. Het is een aanpak die verrassend goed werkt, zeker met de literaire teksten.

Waarom is ‘het vonnis van de samenleving’ zo determinerend voor de toekomst van kinderen? Eribon legt de oorzaken zowel bij de maatschappij als bij het individu. Elke klassenmigrant is bekend met twee typische emoties. Schaamte over afkomst en familie. En angst om door de mand te vallen,  want de automatismen waarmee iemand opgroeide, hebben diepe wortels, van tafelmanieren tot kledijkeuze. In navolging van Bourdieu laat hij de werking zien van cultureel en symbolisch kapitaal, ook in het onderwijs. Dat zou sociale emancipatie mogelijk moeten maken, maar heeft vaak het omgekeerde effect, omdat het onbedoeld een selectie doorvoert op basis van sociale achtergrond. Voor het individu wordt dit versterkt door auto-eliminatie: kinderen die uit eigen beweging de school verlaten. De school verwacht van de leerlingen een bepaalde set van kenmerken, een ‘habitus’, die de waarden van de middenklasse weerspiegelt. Welke woordenschat heeft het kind thuis geleerd, welke argumentatie- en discussiestijl? Naar welke culturele producties ging de aandacht, welk esthetisch oordeel kreeg het mee? Kinderen die daar niet aan beantwoorden, presteren vaak ondermaats, zelfs wanneer ze intelligent zijn. Vaak houden ze de eer aan zichzelf en verzachten ze hun mislukking door uit eigen beweging op te stappen. Eribon definieert deze zelf-uitsluiting als volgt: ‘Een automatisch en onvermijdelijk elimineren dat door hen die er het slachtoffer van zijn, beleefd wordt als een vrije keuze’.  Een kleine minderheid ontsnapt – de vraag is waarom zij slagen waar de meerderheid mislukt. Onderdeel van Eribons  analyse is ook de vraag waarom juist de arbeidersklasse – waaronder zijn broers- in zo groten getale stemt op het Front National, na eerder voor de communistische partij te hebben gekozen. Hij beschrijft de emoties van zijn moeder, die uit een arbeiderswijk naar een voorstad verhuist en zich losmaakt van haar achtergrond. Om enige jaren later de bevolking van de wijk te zien veranderen. Het racisme waar het Front National op teert, dateert al van lang voor die partij werd gesticht (‘arbeiders uit de Maghreb werden al minstens dertig jaar lang bekeken, aangesproken en bejegend alsof ze de vijand in hoogsteigen persoon waren’). De immigratie die na de Algerijnse onafhankelijkheid op gang kwam, bracht ingrijpende sociale veranderingen teweeg en veroorzaakte vanzelfsprekend spanningen. Die waren het sterkst voelbaar in traditionele arbeiderswijken. Door van dat probleem weg te kijken en zichzelf wijs te maken dat integratie wel vanzelf zou gaan, verloor links een groot deel van zijn aanhang.

 

Lenette Schuijt: Transklasse: leven in twee werelden
Het boek van Schuijt is minder politiek dan dat van Eribon (of Van de Kamp). Het gaat over de maatschappelijke, maar vooral psychologische doorwerking van klasse en sociale mobiliteit. ‘Ik ging meer met een klasse-bril naar mijn leven kijken. Daarvoor dacht ik altijd dat het aan mij persoonlijk lag dat ik mij een indringer voelde in het academisch milieu, dat ik er eigenlijk niet hoorde. Terwijl dat gevoel een gevolg is van de sociale verhoudingen in onze samenleving. We zijn gewoon een klassenmaatschappij, met een impliciet oordeel over een lager en hoger milieu.’ Wat ze precies bedoelt met klasse blijft echter wat vaag. Soms ligt nadruk op onderwijsniveau, soms op cultuur en soms op sociaaleconomische positie. Klasse als politiek begrip wordt eigenlijk niet besproken. 

Het boek bestaat uit acht hoofdstukken. Na de introductie van het begrip transklasse en een analyse van wat klassenonderscheid inhoudt, komt de doorwerking in onderwijs (studiekeuze, gebrek aan zelfvertrouwen, onbekendheid met hoger onderwijs) en werk aan de orde. Schuijt beschrijft het proces van loskomen van je oude milieu en ingroeien in het nieuwe aan de hand van veel voorbeelden. De laatste twee hoofdstukken gaan over de psychologische gevolgen: sociale schaamte en de uitdaging om toch 'jezelf te worden'.

Transklasse is deels autobiografie en deels onderzoek naar het fenomeen klasse en sociale mobiliteit aan de hand van het werk van filosofen, sociologen, journalisten, romanciers, in de meeste gevallen zelf ook sociale stijgers. De literatuur wordt overigens eerder illustratief dan analytisch gebruikt. Ook interviewde Schuijt een aantal mensen die flink klommen op de maatschappelijke ladder. Dat betekende vaak een abrupte en ingrijpende overgang van de ene sociale klasse naar de andere. Schuijt besteedt veel aandacht aan de schaamte die dat oproept, zowel schaamte voor de eigen afkomst, maar ook schaamte jegens het willen breken met die afkomst.

Het begrip ‘transklasse’ is ontleend aan de Franse filosofe Chantal Jaquet, die daarmee duidt op het proces van transitie naar een andere klasse. Het omvat volgens Schuijt zowel sociale stijging als sociale daling en vermijdt daarmee ‘de akelige suggestie van zo nodig “hogerop willen”’. Desalniettemin gaat bijna het hele boek over sociale stijging en het ongemakkelijke gevoel dat dat oplevert, omdat je niet goed weet ‘hoe het hoort’ in de nieuwe sociale omgeving. Het overheersende beeld is dat mensen hun transitie eerder zien als het gevolg was van goed kunnen leren, van de hulp van een docent of van de ontmoeting met een vriendje waar het thuis heel anders was. Opwaartse sociale mobiliteit was het resultaat, vaak niet het expliciete doel.

Schuijt gebruikt het begrip overigens anders dan Jacquet. Die gebruikt het begrip transklasse als analytisch begrip en niet om identiteit of een coherente sociale groep aan te duiden. Het gaat Jacquet om het proces waarin maatschappelijke klassenverhoudingen worden gereproduceerd, juist doordat het een aantal mensen individueel lukt om een andere klasse te bereiken. Zij ziet dat niet zozeer als emancipatie, maar als een conserverende beweging. Schuijt geeft een meer psychologische invulling: het begrip benadrukt dat je niet zomaar verhuist van de ene naar de andere klasse. Ze gebruikt de term transklasse (meervoud transklasses) als aanduiding voor de personen die zo'n traject (hebben) doorlopen.  In het Nederlands klinkt dat vreemd, maar misschien is dat juist een bewuste keuze: elke keer als het begrip zo gebruikt wordt, doet dat vreemd aan en zet aan tot nadenken. Maar hoe dat verder ook zij - ook als transklasses zich goed thuis voelen in het nieuwe milieu, leven ze vaak ‘in spreidstand’: ze staan met een been in beide werelden en hebben hun eigen visie op beide klassen. Uiterlijk zijn deze sociale klimmers het toonbeeld van succes, innerlijk worden ze verscheurd door schaamte over hun afkomst, onzekerheid over de plek in hun nieuwe milieu, en angst om van de maatschappelijke ladder te vallen. Om vrede te kunnen sluiten met hun verleden en heden maken transklasses een lang proces van zelfacceptatie door. Ze groeien weg van ouders, van broers en zussen, van oude vriendengroepen. Je bent een andere taal gaan praten, je hebt andere gewoonten gekregen – de mensen uit je vroegere milieu herkennen je niet meer.  Het boek laat goed zien dat sociale stijging en daarmee afstand nemen van je thuismilieu op verschillende manieren kan. Intelligentie en schoolprestaties zijn belangrijk. Je anders voelen dan de rest van je gezin kan een impuls voor ze zijn om buiten je milieu te willen kijken. De plek waar je opgroeit kan ook uitmaken.

De push-factor die zo duidelijk is in de boeken van Eribon en Van de Kamp, krijgt relatief minder aandacht. Misschien komt dat ook omdat Schuijt niet echt een eerste generatie sociale stijger is: ze had ooms die studeerden en een vader die graag had willen studeren. Wel ervaart ook zij de noodzaak zichzelf te leren accepteren in haar nieuwe sociale omgeving. Waar Eribon een identiteit vond in de Parijse gay scene, had Schuijt tijdens dit proces van zelfacceptatie veel aan feministische praatgroepen die ze tijdens haar studententijd begon te bezoeken.

Schuijt verwijst regelmatig naar het werk van Eribon. Zij legt de nadruk op de psychologische tol die een maatschappelijke klim eist. Dat staat enigszins op gespannen voet met Eribon zelf die van een sociologische zelfanalyse spreekt. Hij zal zich niet gelukkig voelen met de diagnose ‘klasse-neurose'. Neemt niet weg dat het beeld van transklasses dat Schuijt schetst, voor velen herkenbaar is.

 

Milio van de Kamp: Misschien moet je iets lager mikken.
Misschien moet je iets lager mikken beschrijft hoe vmbo-leerling Milio van de Kamp universitair sociologiedocent werd. Het boek bevat sociaalwetenschappelijke inzichten over armoede en kansenongelijkheid, en geeft een scherp beeld van de processen waarmee het onderwijs winnaars en verliezers creëert. De sociale stijging komt niet zonder offers. Van de Kamp vertelt aan de hand van zijn eigen ervaringen over de impact van armoede en kansenongelijkheid. Vervreemding van zijn familie, je nergens volledig thuis voelen, hoge schulden, depressie. Steeds weer loopt hij tegen de stigma’s rondom armoede aan. Het boek van Milio van de Kamp is van de hier besproken boeken het meest persoonlijk en rauwe verhaal over de impact van armoede en kansenongelijkheid. Dat komt deels doordat de geschiedenis korter geleden is. In tegenstelling tot Schuijt en Eribon kijkt hij niet terug na een lange succesvolle loopbaan, maar staat hij aan het begin daarvan. Maar ook omdat hij niet uit de lagere middenklasse van Schuijt of de op een bepaalde manier bewuste en politiek actieve arbeidersklasse (Eribon) afkomstig is, maar uit het precariaat. Het boek maakt beklemmend duidelijk wat arm zijn betekent. Arm zijn is niet alleen arm in geld, het is arm in kansen, arm in mogelijkheden, arm in reputatie, arm in representatie en arm in macht. Armoede gaat letterlijk in je lichaam zitten. Je voelt je minderwaardig omdat mensen anders naar je kijken en je anders behandelen. In het huis waarin Van de Kamp opgroeit, is regelmatig geen licht of warm water en in de buurt waar hij woont is criminaliteit aan de orde van de dag. Toch lukt hem uiteindelijk wat zovelen niet lukt: ontsnappen uit de armoede. Hoewel een vmbo-docent hem adviseert ‘iets lager te mikken’, slaagt hij erin de universiteit te bereiken. De uitspraak van de docent werd waarschijnlijk goed bedoeld om teleurstelling te voorkomen, maar wordt ervaren als een gebrek aan vertrouwen in hem. Zeker niet de laatste demotiverende houding of actie van een leraar.

Van de Kamp benadrukt, net als Eribon en Jacquet, dat de klassepositie sterk determinerend werkt. Om daaraan te ontsnappen is geluk, steun van anderen en veerkracht nodig. Van de Kamp wilde graag onderwijs volgen en diploma's halen. Hij wilde voorkomen dat hij hetzelfde leven zou moeten leiden als zijn moeder. Ondanks dat zijn ervaringen met school helemaal niet positief waren, was het de enige manier om verandering te brengen in zijn leven. Maar onderwijs doet dat op tegenstrijdige wijze. Het deelt iedereen op in winnaars en verliezers. Als het niet lukt is het je eigen schuld.

Symbolisch geweld draait in essentie om machtsverhoudingen. De dominante groep, in dit geval de heersende middenklasse en elite die het onderwijs­systeem controleren, legt op impliciete wijze normen op aan mensen die afkomstig zijn uit de onderdanige groep. Het onderwijs wordt vaak gepresenteerd als neutraal. Het boek geeft schokkende, maar helaas vaak herkenbare voorbeelden van het falen van leerkrachten, mentor of afdelingscoördinator, en het gebrek aan steun vanuit de school. Bijvoorbeeld de vmbo-docent die vermoeid op zijn pensioen wacht en er bij voorbaat van uitgaat dat zijn leerlingen niets kunnen. Maar ook de universitair docent die studenten toespreekt dat ‘het hier toch geen mbo is’.

Misschien moet je iets lager mikken geeft een genuanceerd beeld van de Amsterdamse kansarme wijk waar Van de Kamp geboren en getogen is. Hij beschrijft de nodige incidenten met vrienden, en een vader, die in de criminaliteit raken, maar ook het stigmatiserende gedrag van de politie. En van de school die hem door de politie uit de klas laat halen op beschuldiging van een diefstal, die hij gepleegd zou hebben terwijl hij niet eens op school was. Maar er is ook een andere kant: in deze wijken weten mensen elkaar vaak nog te vinden als het nodig is. Ze durven elkaar aan te spreken, of hulp te vragen.

Van de Kamp doorloopt een lang en lastig schoolparcours van een vmbo naar een mbo-verkoopopleiding naar het hbo en uiteindelijk de universiteit. Hij bouwt als 18-jarige schulden op en kampt met een chronische depressie, door de aanhoudende armoede, maar ook door het telkens weer ontmoedigd worden door opmerkingen van leraren. Dankzij zijn vriendin en schoonfamilie komt hij uit de schulden. Zij moedigen hem aan steeds opnieuw te beginnen. Typerend is dat zijn eerste studie psychologie mislukt, zowel door het massale als door het 'technische’ karakter van de studie. Een volgende studie sociale wetenschappen lukt wel, niet in het minst omdat de kennismaking met werk van Marx, maar met name dat van Bourdieu, hem eindelijk de woorden geeft om zijn situatie en ervaringen een andere betekenis te geven dan eigen falen en onzekerheid. 

Hoewel ook Van de Kamp gespletenheid ervaart, wil hij uiteindelijk loyaal blijven aan zijn ouders, de buurt, zijn vrienden en de eigen waarden en normen. In zijn werk op de universiteit organiseert hij ondersteuning voor eerste generatie studenten.

Belang voor het onderwijs
Deze drie boeken bevatten ieder op hun eigen manier inzichten die van belang zijn voor het onderwijs. Ze helpen leraren om hun (voor)oordelen te checken en hun leerlingen beter te begrijpen. Het maakt duidelijk wat de impact is van sociale achterstand, armoede en sociaal-culturele schaamte. Met name het boek van Eribon gaat daarbij ook conceptueel in op politieke aspecten. Het maakt iets zichtbaar van de dynamiek achter de opkomst van (extreem) rechts, zoals het Front National in Frankrijk of de PVV in Nederland. Van de Kamp geeft daarbij ook concrete suggestie hoe in het onderwijs anders met klasse-ervaringen kan en moet worden omgegaan.

 

Didier Eribon (2013/2023) Het vonnis van de samenleving. Klassen, Identiteiten, trajecten. Leesmagazijn

Lenette Schuijt (2023) Transklasse: leven in twee werelden. Mediawerf

Milio van de Kamp (2023) Misschien moet je iets lager mikken. Een verhaal over armoede en kansenongelijkheid. Atlascontact

 

 

Jeroen Onstenk
Jeroen Onstenk is emeritus lector Pedagogisch en Didactisch handelen in het onderwijs bij Hogeschool Inholland en redacteur van DNM. 
jeroenonstenk@outlook.com

#comments#
Uw internetbrowser is verouderd.

Voor een goede weergave is een recente versie van uw browser vereist.